Eenzame uitvaart : Gedicht Jan van der Haar – Verslag : Ruben van Gogh

Hendrika Marie Hubertina Van Emmerik (9-1-1961 – 12-1-2026)

Ik heb u gekend

En ik heb u ook niet gekend, maar ik kan
me dat verbeelden. We waren bijna leeftijd-
genoten. U liep het liefste in het zwart, al
was u niet zwartgallig of somber ingesteld.

U was klein en pittig, lachte en liet lachen.
U was zelfstandig, afgezien van het begeleide
wonen, wond uw medemens gemakkelijk om uw
vinger. Men genoot van u, uw woordgebruik.

Ik zag u wel eens dwalen in de stad, in Hoog
Catharijne of in de Twijnstraat, het ingedeukte
snoetje – wat moet je met een spannende serie
op Netflix. Wat hebt u allemaal meegemaakt?

Ja, u leek op iemand die ik heb gekend, op wie
ik heel verliefd geweest ben. U sprak mij aan.

Jan van der Haar

Doorgaans zijn er in Utrecht enkele  Eenzame Uitvaarten per jaar. Op vrijdag 16 januari vond met de ter aarde bestelling van Hendrika Marie Hubertina Van Emmerik (9-1-1961 – 12-1-2026), de derde Eenzame Uitvaart binnen een maand plaats. Mevrouw verbleef in een huis van Lister(een Utrechtse organisatie die mensen met een psychiatrische kwetsbaarheid of verslaving ondersteunt), hetgeen psychische en evt verslavingsproblematiek doet vermoeden, Er was sprake van twee kinderen, die reeds op jonge leeftijd bij haar weggehaald waren en waar geen contact meer mee was. Ook zou er een zus zijn, maar over hun relatie tastten wij  in het duister. Dichter van dienst Jan van der Haar kwam via een voormalig begeleidster bij Lister te weten dat ze klein, en gevat was, rijk van taal en dat ze mensen om haar vinger wist te winden. Daar hadden we het maar mee te doen deze uitvaart.

Als ik, als verslaglegger, die ochtend ruim op tijd bij begraafplaats st Barbara arriveer, staat er al een man of vier met koffers en statieven klaar: vandaag wordt er gefilmd voor een documentaire over de Eenzame Uitvaart (lees ook het verslag over de Eenzame Uitvaart van Peter Ouwinga). Er wordt met elkaar kennisgemaakt en enigszins bevreemdend naar een clubje mensen bij de ingang gekeken. Als er wordt geïnformeerd of zij voor de uitvaart van mevrouw Emmerik komen is het antwoord bevestigend en wordt er melding gemaakt van familieleden die ook nog onderweg zijn. Als het clubje in de minuten erna aanzwelt tot een heuse club, besluit het team van de documentaire af te zien van opnames vandaag, van een Eenzame Uitvaart kun je nu al niet meer spreken. Een juiste beslissing zo blijkt, want als de lijkwagen is gearriveerd en de kist op de baar is geplaatst, volgen zo’n 40 man de kist naar het veldje achteraf, dat gereserveerd is voor Eenzame Uitvaarten, het lijkt bijna te klein om al deze belangstellenden plaats te bieden, maar iedereen vindt toch een plek. Vervolgens is men minutenlang bezig bloemen, knuffels, beeldjes en linten op de kist te leggen: “Hennie, voor altijd in ons hart” valt op een van de linten te lezen, waarmee we ook haar roepnaam te weten komen. Als Jan van der Haar, keurig in pak gestoken, bij de kist gaat staan, denkt men dat hij de voorganger is. Hij is de dichter van dienst, en heeft deze keer, zeldzaam voor een Eenzame Uitvaart, een echt publiek. Na zijn voordracht trekt een een jongeman hem aan zijn mouw en vraagt, gebiedend haast: ‘Mag mijn tante uw gedicht niet hebben?’

  Jan overhandigt hem in alle vriendelijkheid zijn uitdraai van het gedicht. Intussen heeft iemand uit het gevolg een draagbare speaker op de kist gezet, en klinkt er  Nederlandstalige muziek van een volkszanger over het vers gedolven graf. De kist moet dan nog de grond in zakken, dat wachten Jan, de documentairemakers en ik niet meer af. Wij verlaten de kleine menigte en daarmee een van de meest merkwaardige eenzame uitvaarten, om ons weer naar de verplichtingen van de verdere dag te voegen. Of de onverwachts grote kring rond mevrouw Emmerik nog elders bijeenkomt weten we niet, zoals we eigenlijk maar heel weinig van haar te weten zijn gekomen, behalve dat er veel mensen zijn die haar nu missen

Verslag, Ruben van Gogh

Eenzame uitvaart : gedicht Jan van der Haar – Verslag : Fred Penninga

Gedicht Eenzame uitvaart mevrouw Gijsbertha Adriana Johanna Daalhuisen

I.M. Gijsbertha Adriana Johanna Daalhuisen

Wat is een mierennest met mieren die als vreemden
voor elkaar zijn? De bovenbuur ruikt u hooguit en
belt de politie omdat de meterkast weinig goeds
belooft. De sterke arm doet zijn droeve taak en ziet
u in uw pyamajasje tegen de verwarming aan liggen
in uw eenpersoonsmierenhoopje met als enige vrienden
uw opklapbureau, uw postoel en uw rollator en niets
persoonlijks, niets wat wijst op wie of wat u was.
De politie wist het wel en noemde u een ‘zorgmijder’.
U zou dit gedicht vermoedelijk heel verschrikkelijk
vinden omdat het u tevoorschijn haalt. U wilde juist
wegkruipen en al uw sporen volkomen uitwissen.
Zelfs uw voornaam hebt u weten weg te moffelen.
U bent geboren in het eerste oorlogsjaar en kent nu
vijfentachtig mierenjaren later hopelijk vrede.

Jan van der Haar (gildemeester Utrechts Stadsdichtersgilde)

Verslag Eenzame uitvaart mevr. G.A.J. Daalhuisen, 27-05-1940  –  december 2025

De bovenbuurvrouw trok aan de bel. Er trok een scherpe, hoogst onaangename geur – van beneden – door de meterkast. De politie deed de rest. Het heet een vinding.

Niemand weet hoe lang mevrouw Daalhuisen daar met haar rug tegen de verwarming heeft gezeten. Onderzoek komt uit op drie weken en noemt het een natuurlijke dood.

Een jaar geleden maakten buren zich zorgen omdat ze mevrouw Daalhuisen zo weinig zagen. De politie kende haar wel. Maar contact? De politie noemde haar een zorgmijder.

In haar huis is geen snipper informatie over familie, vrienden of kennissen gevonden. Zo wordt op dinsdag 30 december tot een Eenzame uitvaart op woensdag 31 december besloten.

Om half-tien draait de parelgrijze Tesla – speciaal ontworpen voor uitvaarten – de begraafplaats Sint Barbara op. Vier jonge mannen, in stemmig grijs, leggen de blankhouten kist op een praktisch karretje. Zo rolt de kist gemakkelijk naar het graf.

 Uiteindelijk staan er vier mensen aan het graf. Twee dames namens de uitvaartondernemingen Sint Barbara en PCB en twee heren namens het Utrechts Stadsdichtersgilde. De dichter van dienst en zijn secondant voor dit verslag.

De jonge mannen trekken zich discreet terug. De dichter leest zijn gedicht en daarmee is de Eenzame uitvaart eigenlijk meteen ten einde. De kist zakt langzaam in het graf. Uit respect werpen de vier aanwezigen een schep zwarte aarde naast twee witte rozen op de kist.

De grijze lucht boven Utrecht biedt hier en daar een voorzichtige opening op wat zon. De vier praten nog wat na en nemen afscheid. De laatste dag van het jaar is vreemd begonnen Iedereen is verbaasd over het feit dat alleen sterven echt bestaat en hoe vreemd ook dat is. Eenzaam.

Fred Penninga (lid Utrechts Stadsdichtersgilde).