Eenzame Uitvaart : Gedicht Jan van der Haar – Verslag : Ruben van Gogh  

Eenzame Uitvaart van Corrie Buist-van Baggem

(Utrecht, 21/7/1959 – Utrecht, 28/7/2026). 

 

Gedicht: Jan van der Haar

Verslag: Ruben van Gogh  

 

Uw element 

Aarde. Die geviel u zwaar. Zelfs zo dat u er niet naar
terug wilde. Ook al grapte u fel: Zet me maar bij het
grof vuil. U had de dieren hoger zitten. 

Lucht. U ademde zwaar. U leed aan COPD door levens-
lang te roken. U had veel weg te blazen en ik hoor u schor
uitroepen op zijn Utrechts: Aaaach, jochieeeee. 

Water. U was een innemende vrouw. U dronk als een dorstige
woestijn. Het overlijden van uw man zorgde daar mede voor.
Hij hield uw angsten en paniekaanvallen in toom. 

Vuur. U liep zich het vuur uit de sloffen in de thuiszorg. U heeft
veel aanstekers versleten. U wilde per se niet begraven maar
gecremeerd en uw laatste wens wordt ingewilligd. 

Eeuwigheid. U bent inmiddels aangekomen in – hoe zullen we het
noemen – een dimensie waar geen levend wezen iets van weet.
Ik hoop dat u er in uw element bent en vooral gelukkig. 

 

Jan van der Haar 

 

Op maandag 3 augustus, 12,30u – het loopt tegen de 30 graden Celsius – vindt op begraafplaats St Barbara, te Utrecht, de eenzame uitvaart plaats van Corrie Buist-van Baggem, een crematie deze keer.  Mevrouw was sinds 20 – 25 jaar weduwe, had geen kinderen en er waren verder ook geennabestaanden, vandaar dat haar verzoek tot crematie bij hoge uitzondering ingewilligd kon worden; een eenzame uitvaart betreft doorgaans een ter aarde bestelling van de overledene. 

Mevrouw was gedurende haar arbeidsleven werkzaam in de thuiszorg, maar kende ook een lange periode van roofbouw op haar lichaam, ze rookte en dronk hartstochtelijk Toen haar man  overleed maakte ze een  slechte periode door, vol angsten en paniekaanvallen, die resulteerden in straatvrees. Dankzij haar man had zij die angsten en paniek altijd enigszins weten te pareren. Uiteindelijk terechtgekomen in verzorgingstehuisRosendael wist zij haar sigarettenverslaving te beëindigen  en zich geliefd te maken bij het verzorgend personeel, waarvan  twee jonge dames waren gekomen om persoonlijkafscheid te nemen. Zij verhaalden van vrolijke contactmomenten en een zwaar Utrechtse tongval. Ze waren duidelijk op haar gesteld. Ook haar grote voorliefde voor huisdieren werd gememoreerd. De jarenlange roofbouw op haar lichaam had  geleid tot COPD, met hart- en nierfalen daarbovenop. De hittevan de afgelopen periode, gaf haar ten slotte het laatste zetje. 

Omdat het een crematie betreft, verlopen de gebruikelijke plechtigheden op andere wijze: zo zijn er geen dragers bij, de kist wordt gemakkelijk vanuit de lijkwagen overgeschoven op de  baar met wielen. We lopen ook niet naar het wat achteraf gelegen gedeelte van de begraafplaats die is gereserveerdvoor begrafenissen van gemeentewege, maar het gezelschap bestaande uit ondergetekende als verslaglegger, dichter van dienst Jan van der Haar, de uitvaartleidster van Uitvaartzorg PCB, de chauffeur van de wagen en een begraafplaatsmedewerker van st Barbara, volgen onder klokgelui de baar op een  route naar het crematoriumgebouwtje, de twee dames die haar persoonlijk hebben gekend rijden zelf de baar en brengen haar zo naar haar laatste rustplaats. Het gebouwtje bestaat uit weinig meer dan een soort halletje waar een draagconstructie voor de kist in  staat, onduidelijk in de gauwigheid tezien of de kist horizontaal of naar beneden de oven in zal gaan. Het is verwarrend warm binnen, alsof het vuur te voelen valt, maar dat kan ook van de hitte en zonneschijn buiten komen. De kist schuift soepel van de baar op de draagconstructie in het halletje. Dan deelt een van de twee dames nog enkeleherinneringen aan Corrie. Vervolgens is het woord aan Jan, die zijn gedicht op kalme wijze voordraagt, niet in de open lucht met vogelgeluiden en het verkeergeruis van de Waterlinieweg op de achtergrond, zoals gebruikelijk, maar binnen de intieme, aandachtige stilte van dit gebouwtje. Dat is alles. Een knik van de uitvaartleidster maakt duidelijk dat de kist  niet in ons bijzijn de oven in  zal gaan . Toch anders dan een reguliere eenzame uitvaart, waarbij we de kist uiteindelijk in het graf zien zakken en zelfs eventueel nog een handje aarde op de kist kunnen gooien, als laatste groet. Onder een brandendezon lopen we terug naar het parkeerplaatsje bij de uitgang, waar we afscheid nemen van elkaar, iedereen moet weer door naar het zijne of het hare. 

 

Ruben van Gogh  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eenzame uitvaart : Gedicht Jan van der Haar – Verslag : Ruben van Gogh

Hendrika Marie Hubertina Van Emmerik (9-1-1961 – 12-1-2026)

Ik heb u gekend

En ik heb u ook niet gekend, maar ik kan
me dat verbeelden. We waren bijna leeftijd-
genoten. U liep het liefste in het zwart, al
was u niet zwartgallig of somber ingesteld.

U was klein en pittig, lachte en liet lachen.
U was zelfstandig, afgezien van het begeleide
wonen, wond uw medemens gemakkelijk om uw
vinger. Men genoot van u, uw woordgebruik.

Ik zag u wel eens dwalen in de stad, in Hoog
Catharijne of in de Twijnstraat, het ingedeukte
snoetje – wat moet je met een spannende serie
op Netflix. Wat hebt u allemaal meegemaakt?

Ja, u leek op iemand die ik heb gekend, op wie
ik heel verliefd geweest ben. U sprak mij aan.

Jan van der Haar

Doorgaans zijn er in Utrecht enkele  Eenzame Uitvaarten per jaar. Op vrijdag 16 januari vond met de ter aarde bestelling van Hendrika Marie Hubertina Van Emmerik (9-1-1961 – 12-1-2026), de derde Eenzame Uitvaart binnen een maand plaats. Mevrouw verbleef in een huis van Lister(een Utrechtse organisatie die mensen met een psychiatrische kwetsbaarheid of verslaving ondersteunt), hetgeen psychische en evt verslavingsproblematiek doet vermoeden, Er was sprake van twee kinderen, die reeds op jonge leeftijd bij haar weggehaald waren en waar geen contact meer mee was. Ook zou er een zus zijn, maar over hun relatie tastten wij  in het duister. Dichter van dienst Jan van der Haar kwam via een voormalig begeleidster bij Lister te weten dat ze klein, en gevat was, rijk van taal en dat ze mensen om haar vinger wist te winden. Daar hadden we het maar mee te doen deze uitvaart.

Als ik, als verslaglegger, die ochtend ruim op tijd bij begraafplaats st Barbara arriveer, staat er al een man of vier met koffers en statieven klaar: vandaag wordt er gefilmd voor een documentaire over de Eenzame Uitvaart (lees ook het verslag over de Eenzame Uitvaart van Peter Ouwinga). Er wordt met elkaar kennisgemaakt en enigszins bevreemdend naar een clubje mensen bij de ingang gekeken. Als er wordt geïnformeerd of zij voor de uitvaart van mevrouw Emmerik komen is het antwoord bevestigend en wordt er melding gemaakt van familieleden die ook nog onderweg zijn. Als het clubje in de minuten erna aanzwelt tot een heuse club, besluit het team van de documentaire af te zien van opnames vandaag, van een Eenzame Uitvaart kun je nu al niet meer spreken. Een juiste beslissing zo blijkt, want als de lijkwagen is gearriveerd en de kist op de baar is geplaatst, volgen zo’n 40 man de kist naar het veldje achteraf, dat gereserveerd is voor Eenzame Uitvaarten, het lijkt bijna te klein om al deze belangstellenden plaats te bieden, maar iedereen vindt toch een plek. Vervolgens is men minutenlang bezig bloemen, knuffels, beeldjes en linten op de kist te leggen: “Hennie, voor altijd in ons hart” valt op een van de linten te lezen, waarmee we ook haar roepnaam te weten komen. Als Jan van der Haar, keurig in pak gestoken, bij de kist gaat staan, denkt men dat hij de voorganger is. Hij is de dichter van dienst, en heeft deze keer, zeldzaam voor een Eenzame Uitvaart, een echt publiek. Na zijn voordracht trekt een een jongeman hem aan zijn mouw en vraagt, gebiedend haast: ‘Mag mijn tante uw gedicht niet hebben?’

  Jan overhandigt hem in alle vriendelijkheid zijn uitdraai van het gedicht. Intussen heeft iemand uit het gevolg een draagbare speaker op de kist gezet, en klinkt er  Nederlandstalige muziek van een volkszanger over het vers gedolven graf. De kist moet dan nog de grond in zakken, dat wachten Jan, de documentairemakers en ik niet meer af. Wij verlaten de kleine menigte en daarmee een van de meest merkwaardige eenzame uitvaarten, om ons weer naar de verplichtingen van de verdere dag te voegen. Of de onverwachts grote kring rond mevrouw Emmerik nog elders bijeenkomt weten we niet, zoals we eigenlijk maar heel weinig van haar te weten zijn gekomen, behalve dat er veel mensen zijn die haar nu missen

Verslag, Ruben van Gogh

Eenzame uitvaart : gedicht Jan van der Haar – Verslag : Fred Penninga

Gedicht Eenzame uitvaart mevrouw Gijsbertha Adriana Johanna Daalhuisen

I.M. Gijsbertha Adriana Johanna Daalhuisen

Wat is een mierennest met mieren die als vreemden
voor elkaar zijn? De bovenbuur ruikt u hooguit en
belt de politie omdat de meterkast weinig goeds
belooft. De sterke arm doet zijn droeve taak en ziet
u in uw pyamajasje tegen de verwarming aan liggen
in uw eenpersoonsmierenhoopje met als enige vrienden
uw opklapbureau, uw postoel en uw rollator en niets
persoonlijks, niets wat wijst op wie of wat u was.
De politie wist het wel en noemde u een ‘zorgmijder’.
U zou dit gedicht vermoedelijk heel verschrikkelijk
vinden omdat het u tevoorschijn haalt. U wilde juist
wegkruipen en al uw sporen volkomen uitwissen.
Zelfs uw voornaam hebt u weten weg te moffelen.
U bent geboren in het eerste oorlogsjaar en kent nu
vijfentachtig mierenjaren later hopelijk vrede.

Jan van der Haar (gildemeester Utrechts Stadsdichtersgilde)

Verslag Eenzame uitvaart mevr. G.A.J. Daalhuisen, 27-05-1940  –  december 2025

De bovenbuurvrouw trok aan de bel. Er trok een scherpe, hoogst onaangename geur – van beneden – door de meterkast. De politie deed de rest. Het heet een vinding.

Niemand weet hoe lang mevrouw Daalhuisen daar met haar rug tegen de verwarming heeft gezeten. Onderzoek komt uit op drie weken en noemt het een natuurlijke dood.

Een jaar geleden maakten buren zich zorgen omdat ze mevrouw Daalhuisen zo weinig zagen. De politie kende haar wel. Maar contact? De politie noemde haar een zorgmijder.

In haar huis is geen snipper informatie over familie, vrienden of kennissen gevonden. Zo wordt op dinsdag 30 december tot een Eenzame uitvaart op woensdag 31 december besloten.

Om half-tien draait de parelgrijze Tesla – speciaal ontworpen voor uitvaarten – de begraafplaats Sint Barbara op. Vier jonge mannen, in stemmig grijs, leggen de blankhouten kist op een praktisch karretje. Zo rolt de kist gemakkelijk naar het graf.

 Uiteindelijk staan er vier mensen aan het graf. Twee dames namens de uitvaartondernemingen Sint Barbara en PCB en twee heren namens het Utrechts Stadsdichtersgilde. De dichter van dienst en zijn secondant voor dit verslag.

De jonge mannen trekken zich discreet terug. De dichter leest zijn gedicht en daarmee is de Eenzame uitvaart eigenlijk meteen ten einde. De kist zakt langzaam in het graf. Uit respect werpen de vier aanwezigen een schep zwarte aarde naast twee witte rozen op de kist.

De grijze lucht boven Utrecht biedt hier en daar een voorzichtige opening op wat zon. De vier praten nog wat na en nemen afscheid. De laatste dag van het jaar is vreemd begonnen Iedereen is verbaasd over het feit dat alleen sterven echt bestaat en hoe vreemd ook dat is. Eenzaam.

Fred Penninga (lid Utrechts Stadsdichtersgilde).

Gemist (bij de Eenzame Uitvaart van P. O.)

Waarom wil iemand zich bekwamen in de vechtsport
om het dan op te nemen tegen onschuld? Niemand
die het wist. Jijzelf het allerminst. Om na te denken
na een leven lang verlokkingen en verslavingen. Om

te luisteren naar de geestelijke en zijn boeken. Na
de ruwe bolster, nu de blanke pit. Je huisgenoten zagen
je excelleren in de volleybalwedstrijden, hoorden je
liefde voor muziek: Who’s bad? proefden culinaire zin,

bedachten in je baar een kerstengeltje en een knuffel.
Soms doet ons leven iets stoms, om het op zijn pootjes
terecht te laten komen, met structuur, gezelschap en al.
Je laatste woorden luidden dat je je aan het einde van je

leven thuis hebt kunnen voelen. En je wist: ik word gemist.

 

Jan van der Haar

 

 

Eenzame uitvaart: gedicht Jan van der Haar – verslag Fred Penninga

Eenzame Uitvaart van dhr. Albert van Oostenbrugge, 1962-2025
 
De warme zomerzon, de vogels en de stad zijn allang wakker Bij het toegangshek van begraafplaats Sint Barbara staan vier studenten in gepast grijze jackets te wachten. Klokslag half-tien zwenkt de zilvergrijze Mercedes de begraafplaats op. Bij een dienstgebouw wordt de lelieblanke houten kist, met daar bovenop een langgerekt bloemstuk van witte rozen, op het karretje gezet.
Een wel heel kleine ‘stoet’ zet zich in beweging, richting het gedolven graf. Aan weerszijden van de kist twee grijze studenten. Direct achter de kist de man van de begraafplaats. Daarachter de chauffeur van de lijkwagen en de vrouw van Barbara Uitvaartverzorging. De rij wordt gesloten door de dichter en verslaggever van dienst namens het Utrechts Stadsdichtersgilde

Uiteindelijk gaat het bij het graf exact om één handvol aanwezigen. De studenten hebben zich discreet teruggetrokken. Het is stil. Wat te zeggen? De uitvaartonderneemster geeft het woord aan dichter Jan van der Haar. Hij leest het volgende – door hem geschreven – gedicht:

AL SPRAK IK DE TALEN VAN DE ENGELEN 

Beste A., uw voornaam heeft de voorste letter in
het alfabet. Uw achternaam deelt u met diverse
naamgenoten. Sommigen van hen hebben het
ver geschopt, zoals de sterrenkok en de vasculair

neuroloog. U lijkt coulissen te hebben gekozen.

Heeft u ooit een baarmoederpaadje bewandeld?
Zo zou ik u nog heel veel vragen kunnen stellen.
Want uw leven is een onontdekt meesterwerk
dat moest eindigen in bedorven eenzaamheid.

Nu kijken we nog als in een wazige spiegel,

maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn
kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig
kennen, zoals ik zelf gekend ben. Ons resten
geloof, hoop en liefde; deze drie, maar de grootste

daarvan is de liefde. En u fluistert: Jaag die na. . .

Jan van der Haar
 
Het gedicht wordt opgeborgen in het borstzakje van het overhemd van de dichter. De man van de begraafplaats vertelt waar dat Geloof, hoop en liefde vandaan komt (de Bijbel) en verricht de technische handelingen die de kist diep in de grond doen zakken. Het door de uitvaartonderneming meegegeven bloemstuk ligt nog op de rand van de groeve. Op initiatief van de uitvaartonderneemster neemt iedereen daar een witte roos uit en werpt die op de kist, daarna een schepje zand. Tot zover de ceremonie. De aanwezigen gaan nog even met elkaar in gesprek. Over hoe droevig het is dat er niemand uit de persoonlijke omgeving van de overledene aanwezig is. Dan moet toch ook het recente leven al erg eenzaam zijn geweest? Een Eenzame Uitvaart brengt dat schrijnend aan het licht. Om 10.00 uur fietsen dichter en verslagschrijver van de zonovergoten begraafplaats.
Er komt een naambordje bij het graf met de tekst: Albert van Oostenbrugge, Soest 30-9-1962 – Utrecht 3-6-2025, In dierbare herinnering.
Wat verder nog bekend is van Albert van Oostenbrugge. Na een langere tijd van dakloosheid vond hij onderdak in Lunetten en woonde daar zo’n zes jaar op Hondsrug. Hij bouwde er een sociaal leven op en deed wat vrijwilligerswerk. Dat is wel heel summiere informatie, maar meer karakteristieks kon er niet worden achterhaald. Dat hij moge rusten in vrede; het herinneren kan beginnen.
Fred Penninga

Eenzame Uitvaart, Jan van der Haar 

EENZAMEUITVAART3APRIL  

 

Bij de Eenzame Uitvaart van mevr. Ingrid Steenbergen, 4 mei 1958 – 28 maart 2025
Gedicht: Jan van der Haar
verslag: Fred Penninga 
beiden lid van het Utrechts Stadsdichtersgilde 

 Gedicht Van dinsdag naar woensdag 

Geachte mevrouw Steenbergen, ik schrijf u
in de vroege dinsdagmorgen. Juist een half uur
geleden vernam ik van de gemeenteambtenaar
dat woensdagochtend om 9.30 uur uw Eenzame
Uitvaart zal zijn op begraafplaats Sinte Barbara.
Rob de Nijs zingt ‘Banger hart’. Ai, was u bang?
Ik weet niks van u, maar voel nu toch nabijheid.
Uw dood wordt opgeluisterd door de merelzang
in de nog donkere ochtendlucht boven Utrecht.
Verder kent de dag naast ruis respectvolle stilte.
Het zwerk kleurt schuchter roze en de vogels en
de Domstad brengen over dat ze u zullen missen. 

 

 Verslag Al met al een mooie dag 

 Vooraf 

Als ik bij de begraafplaats kom aangefietst zie ik vier, vijf mensen wachtend bij het toegangshek. Als zij hier voor dezelfde uitvaart zijn, wordt die wel minder eenzaam. De dichter-van-dienst, Jan van der Haar, meldt zich en we lopen naar een verzamelpunt. We kijken elkaar aan en besluiten niet af te haken. We blijven. De poëzie moet haar loop hebben. 

Later voegen zich noch meer mensen bij het groepje. Als het hek wordt opengezet, om de begrafenisauto binnen te laten, loopt iedereen mee naar binnen. Achter de zilverwitte Mercedes aan. 

 

We worden begroet door de mevrouw van Uitvaartorganisatie Sinte Barbara. Blij dat we er zijn. Klokslag half-tienwordt de kist uit de auto gehaald en op een karretje gezet. De stoet – er is sprake van een bescheiden stoet – zet zich in beweging. Achterin de begraafplaats is een graf gegraven voor mevr. Ingrid Steenbergen. De kist wordt op dragers boven het graf gezet en de aanwezigen scharen zich er omheen. 

 

Tijdens 

De meeste aanwezigen zijn buren uit onder, boven en naast de flat van Ingrid. Verder zijn er een zoon, twee jonge buurkinderen en twee studenten die meer willen weten van het fenomeen ‘Eenzame uitvaart’.  

De dichter-van-dienst treedt als eerste naar voren en leest zijn gedicht.  

Na hem halen sprekers herinneringen op aan Ingrid Steenbergen. Er ontstaat een beeld van haar dat kan worden samengevat in begrippen als schilderachtig kleurrijk en boven alles onvoorspelbaar eigenzinnig. Maar geliefd! 

Een buurman komt met op papier verzamelde aandoenlijke anekdoten. De zoon bedankt vooral de aanwezigen. Nóg een buurman spreekt uit zijn hoofd en uit het hart. Een voormalige thuishulp roept de vaste maandagochtenden in herinnering. Haar vriend heeft zijn gitaar meegenomen en zingt een toepasselijke song van John Lennon: Nobody loves you (when you’re down and out).  

Dan wordt de kist, letterlijk, ter aarde besteld. 

 

Na afloop 

Een groepje praat nog wat na. Op de vraag welk beroep Ingrid Steenbergen uitoefende komt naar voren dat zij een opleiding ‘grafisch ontwerpen’ had gevolgd. 

Niemand vindt het vreemd dat Ingrid een creatieve achtergrond bleek te hebben. 

De ‘Eenzame Uitvaart’ is ten einde. Inmiddels begint de zon de stad te verwarmen. ’n Zachte voorjaarsbries. Een strakke Argentijns-lichtblauwe lucht. Vertrouwd zoemend en zoevend verkeer op de Waterlinieweg. Het is lente en al met al een mooie dag.   

Eenzame Uitvaart, Jan van der Haar

Dhr. Hla Aung, van Pa’an naar Utrech

Op 13 januari 1952 zag u het licht in Pa’an,
een provinciestadje in zuidoost Birma, nu
Myanmar: aan de andere kant van de wereld.
Met recht ‘een verborgen kleinood’ te noemen.
U herinnert zich nog wel de Mount Zuegabin,
de Mount Tang Wine. De kathedraal in uw stad
was de Kyauk Ka Lat Pagoda waar de heilige
haarrelikwie van Boeddha wordt bewaard.
Bij uw geboorte was Aung San Suu Kyi zeven jaar.
Ze zou in 1991 de Nobelprijs voor de Vrede krijgen
om haar strijd voor de mensenrechten en die tegen
de junta in Myanmar. Bent u er destijds voor gevlucht?
U bent in Utrecht terechtgekomen en hebt er een flat
betrokken aan de Vulcanusdreef, een klein appartement
dat op de hoogte is van de laatste jaren van uw leven.
Was u praktiserend boeddhist? Ging u naar de Tempel
van Groot Mededogen? Hebt u er troost gevonden?
Op 20 oktober 2024 sloot u alhier voorgoed uw ogen,
van alles, iedereen, familie, vrienden, kennissen verlaten.
Wij weten bijna niets van u en van uw eenzaamheid.
Wij wensen u de eeuwige vrede.

Jan van der Haar

 

Verslag Eenzame uitvaart van Dhr. Hla Aung

 

De vraag om een gedicht bij de waarschijnlijk eenzame uitvaart van dhr. Hla Aung komt op donderdag. Best laat, want vrijdag is de begrafenis al. Stadsdichter Jan van der Haar probeert informatie over meneer Aung te bemachtigen, maar dat is nog niet zo eenvoudig. Welbeschouwd is er nauwelijks iets bekend. Zou meneer Hla Aung uit Azië komen?

En dan slaat Jan het juiste internet-pad in. Tot zijn verrassing vindt hij snippers informatie over meneer Hla Aung, diens land van herkomst, geboren in 1952.. . in Azië.

Eenmaal op dat spoor komt Jan tot zijn bijzonder gedicht. Over een overleden individu, een vluchteling, al eenzaam tijdens zijn leven.

Tegen de achtergrond van zijn zoektocht naar gerechtigheid en vrede. Niet toevallig het laatste woord van het gedicht.

De zon schijnt al wel, maar het is een frisse vrijdagmorgen op begraafplaats St. Barbara. Windstil onder een strakke hemelsblauwe lucht.

Rond kwart over negen komt er een groepje van vier mensen door de poort. Onmiskenbaar mensen uit Azië. We houden gepaste afstand. Respect. Het zijn mensen uit de kleine gemeenschap vluchtelingen uit Myanmar in Nederland. Ze streamen met hun mobieltjes de eenzame uitvaart van hun landgenoot. Er is familie, in Myanmar. Er zijn kinderen, in het buitenland. Een gesprek zit er niet echt in; de mensen in het groepje spreken geen Nederlands.

Klokslag half-tien draait de lijkauto de begraafplaats op. De zilverkleurige Mercedes

is vervangen door een witte Tesla. Er zijn twee mensen namens St. Barbara, iemand van het buurtteam Overvecht, de vier landgenoten die alles streamen. De dichter van dienst en zijn secondant, voor het verslag. Zo ziet eenzaamheid eruit. Jan haalt het papier met zijn gedicht erop tevoorschijn en leest het bij het wachtend graf. Er staat al  veel informatie in het gedicht. Dat moet voor zichzelf spreken en hoeft niet te worden herhaald in dit verslag. De blankhouten kist zakt langzaam weg. Dichter en secondant werpen elk een zonnebloem na. . .

Om kwart-voor-tien is de ceremonie voorbij. Om tien uur ligt de begraafplaats er stil en verlaten bij. Wie herinnert zich straks de eenzame uitvaart van Hla Aung, uit Myanmar? De zon staat hoger nu en schijnt volop. Het wordt een warme dag.

Fred Penninga

 

 

 

Eenzame Uitvaart van mevr. Zoja Svobodová 1946-202

12 april 2024, St. Barbara, Utrecht

Dichter van dienst: Jan van der Haar
Verslag: Fred Penninga

 

Zoja Svobodová (1946 – 2024)

De liefde heeft u uit Slowakije gehaald.
U tekende en vertelde verhalen, zegt Google,
In 2000 publiceerde u de mythe van Narcissus
in Doe open Zimzim, verhalen en liedjes uit
de Utrechtse wijk Lombok. U hebt het voorgelezen
op 26 maart 2000 op een zondagse vertelmiddag
in houtzaagmolen ‘De ster’. Te horen is uw stem:
‘Narcissus was heel erg bang voor mensen, hij was
mensenschuw, hij vertrouwde niemand. Hij was
het liefst alleen. Mensen die waren niet te vertrouwen.
Mensen hoefde hij niet.’ Toch was hij niet arrogant.
Maar een nimf die verliefd op hem werd liet hij wachten
en smachten. Ze kwijnde weg. Alleen haar stem bleef over:
‘Echo… echo…’ Voor straf liet Aphrodite toen Narcissus
op zichzelf verliefd worden: hij verdronk letterlijk in
zijn spiegelbeeld en verdween zoals de nimf. Een plechtige
begrafenis was niet mogelijk. Bij de bron vonden ze alleen
‘een prachtige gele bloem met een lange sierlijke steel:
een zonnegele bloem met een hartje – de narcis’.

 

 

VERSLAG

Eenzaam maar niet alleen

Voorzichtig zet een nieuwe dag de eerste stappen. Er is al licht, maar nog niet helder. Lichtgrijs. Op Begraafplaats St. Barbara is er een groepje mensen voor de uitvaart van mevrouw Zoja Svobodová. Klokslag 9.30 uur arriveert de Mercedes met de overledene in de blankhouten kist.

Er is niemand gevonden die haar uitvaart had kunnen organiseren en financieren. Dan nemen de Gemeente Utrecht en St. Barbara Uitvaartzorg die taak op zich, onder de naam Eenzame Uitvaart. Aanwezig zijn: twee mensen van St. Barbara Uitvaartzorg; de onderbuurman van mevrouw, met bloemstuk; een medewerker van het Buurtteam; de dichter van dienst, Jan van der Haar en de schrijver van dit verslag Fred Penninga en nog drie mannen. De ex-partner van mevrouw Svobodová, diep vorige eeuw gescheiden (1984), een vriend en een wederzijdse kennis. Zó bijzonder.

Google mevrouw Zoja Svobodová

Ze kwam uit wat nu Slowakije heet voor de liefde naar Nederland. Die liefde bleek niet eeuwigheid-proof, maar aan Nederland bleef ze stevig verbonden. En er is meer. Wie op Google naar haar op zoek gaat, wordt verrast. Om te beginnen is ze daar bekend, met publicatie! Er staan wapenfeiten en teksten van haar hand op internet! Het lijkt een goudader in de zoektocht naar informatie. Mevrouw moet belangstelling hebben gehad voor cultuur en dan vooral voor de literatuur. Haar publicatie en optreden met de Griekse mythe over Aphrodite en Narcissus spreken boekdelen (zie het gedicht). Zij is daarmee aanwezig geweest in het ‘cultureel circuit’, maar dat moet al enige tijd geleden ‘minder’ zijn geworden.                                                               Ze leefde wat teruggetrokken en maakte weinig contact op haar flat in de Louis Couperusstraat in Utrecht-West. ‘We zeiden elkaar goedemorgen, goedemiddag, goedenavond. Dat was het wel. Ik heb haar kat geadopteerd en dat gaat heel goed,’ zegt de onderbuurman.

Het gedicht

De openingszin is meteen al poëtisch: De liefde heeft u uit Slowakije gehaald. De verdere tekst leunt sterk op de informatie op internet over mevr. Zoja Svobodová. Het gedicht houdt haar een spiegel voor en vraagt: ‘Vindt u ook niet dat u bent gaan lijken op Narcissus? Was het niet voorbestemd dat de mythe van Aphrodite en Narcissus als leidraad voor uw latere leven zou dienen?’ Niemand gaat antwoord op die vraag geven; maar de vraag opwerpen, is al verrassend. Dat doen dichters nu eenmaal. Zo wordt het laatste deel van haar leven poëzie. Niet van het meest opgewekte soort misschien, maar in helder licht.

En bij het verlaten van de begraafplaats sloot de natuur zich daarbij aan. Even brak de zon door. Voor het eerst die ochtend, bijna schuchter.

Eenzame Uitvaart van dhr. P. Bolwijn, 1952 – 2024

26 februari 2024, St. Barbara, Utrecht

Dichter van dienst: Jan van der Haar
Verslag: Fred Penninga

 

Peter Bolwijn (1952 – 2024)

Hij trok zich terug en het applaus ontbrak.
Met de buren was het dag en daar bleef
het bij. Meer contact was er met de wekker.
Die kon hij ten minste naar zijn hand zetten.

Zijn koopflat heette bastion, zijn binnen.
Hij vette binnen als een heremiet.
Maar ook buiten mocht er zijn, op de fiets,
gezel met longen vol van verse lucht.

Hij hield van buitenlucht, die was beheersbaar.
Hij kende Houten, Maarssen, Groenekan.
Mensen niet maar oorden wist hij te plaatsen.
Zijn zelfkennis zullen we nooit meekrijgen.

 

 

VERSLAG

Het weer is typisch uitvaartweer. Diepgrijze lucht, wat spetjes regen, een straf briesje en daardoor een lage gevoelstemperatuur. Klokslag 9.30 uur rijdt de zilveren Mercedes door de poort van Begraafplaats St. Barbara. In de auto bevindt zich de blankhouten kist met de overledene, dhr. Peter Bolwijn.

Er is niemand gevonden die de uitvaart van de heer Bolwijn had kunnen organiseren. Dan nemen de Gemeente Utrecht en St. Barbara Uitvaartzorg die taak op zich. Dat gebeurt onder de naam Eenzame Uitvaart en in dit geval is het dat ook: een eenzame uitvaart. Uiteindelijk staat aan het vers gegraven graf slechts ‘n handvol aanwezigen. Twee mensen vanuit St. Barbara Uitvaartzorg; de chauffeur van de Mercedes en namens het Utrechts Stadsdichtersgilde de dichter-van-dienst Jan van der Haar en diens secondant/schrijver-van-dit-verslag Fred Penninga. Op de kist ligt een bloemstuk van de Vereniging Van Eigenaren, De Sprong, daar was dhr. Bolwijn – als eigenaar van zijn appartement – verplicht lid van. De tekst op het witte lint luidt Met oprechte deelneming.

Wie was Peter Bolwijn?
Daar is niet veel over bekend. Als er geen informanten of nabestaanden zijn en het overlijden valt vlak voor het weekend dan ontbreken mogelijkheden én tijd om wat uitgebreider op zoek te gaan naar bruikbare informatie. Daar weet Anne Broeksma wel raad op. Samen met Alexis de Roode regelt zij binnen het stadsdichtersgilde de coördinatie van de Eenzame Uitvaart.

Ze springt op de fiets, rijdt naar het appartementencomplex in Hoograven en krijgt uiteindelijk met drie buurmannen vluchtig contact. Alle drie (voormalig) bestuursleden van VVE De Sprong. Samen schetsen zij een voorzichtig beeld van dhr. Bolwijn. Hij woonde – zo lijkt het – als een typische kluizenaar, sinds november 1995, een teruggetrokken bestaan in zijn appartement. Zei ‘goedemorgen’ en ‘dag’. Dat was het. Hij kreeg ook nooit bezoek en tussen de VVE en dhr. Bolwijn was er geen correspondentie, zelfs niet via de mail. Wel was nog bekend dat dhr. Bolwijn regelmatig fietstochten maakte in wijde bogen rond Utrecht. In zijn eentje, waarschijnlijk.

Het gedicht
Het vraagt heel wat creativiteit om op basis van zo weinig informatie een passend gedicht te componeren. En dan was er nog de tijdsdruk. Maandagmorgen, 26 februari, 9.45 uur, heeft de dichter-van-dienst, Jan van der Haar, zijn gedicht bij het nog open graf van Peter Bolwijn voorgelezen. Mooi beeld, kort van stof en zo dicht mogelijk bij de overledene neergezet. Dat hij ruste in vrede.

Bij het napraten sprongen twee denklijnen in het oog. Verwondering over het feit dat iemand zo afgezonderd van alles en iedereen kan leven, althans daar leek het op. En uiteindelijk ook sterven. Tegenover de gedachte dat iemand daar heel overtuigd en vasthoudend voor kan kiezen, met een eenzame uitvaart tot gevolg. Bij het verlaten van de begraafplaats was er nog geen kiertje waar wat licht doorheen scheen.

 

Eenzame Uitvaart van mevrouw A. van Tiggelen, 16 juni 1953 – 6 januari 2024

11 januari 2024, St. Barbara, Utrecht

 

Dichter van dienst: Alexis de Roode
Verslag: Anne Broeksma / Alexis de Roode

 

Niet alleen

In memoriam Ati van Tiggelen (1953-2024)

Weinigen die alleen de aarde in gaan,
hebben haar alleen bewandeld.

Gestorven is geborgen, heen is compleet.
Voor wie is een Uitvaart Eenzaam?

Niet voor Ati die haar lichaam verliet.
Daarvóór was haar leven vol mensen.

Eenzaam? Wie weet. Ze had een vriend,
een flat vol buren, een kerk vol wensen.

En familie? Daarover zwijgen we, zoals zij.
In de gang stonden Maria en Jozef haar bij.

Niemand kent de erkers van het hart
zo goed als de heiligen, in wie ze geloofde.

Nadat het licht in haar ogen doofde,
had ze vast liever een gebed dan een gedicht gehad.

 

VERSLAG

Met twee witte rozen lopen we begraafplaats St. Barbara op. Het is half tien en het vriest. Strakblauwe lucht, de winterzon neemt weinig kou weg. Twee dames van middelbare leeftijd staan warm ingepakt in de buurt van het hek. Toch nog. Nichtjes. Ze horen bij een 80-jarige halfzus en haar man die ook aanwezig zijn. Met elkaar, een groepje van vijf, zijn ze de enige familieleden die Ati van Tiggelen, op 70-jarige leeftijd plotseling in de nacht overleden, nog had. Ze hadden haar al tientallen jaren niet meer gesproken of gezien. Toch zijn ze vanochtend om zeven uur in de auto gestapt, in Roosendaal, om hier op tijd in de kou te staan en Ati een laatste eer te bewijzen.

Op 8 januari krijgen we bericht van de gemeente, maar na bellen met de uitvaartonderneming weten we nog nauwelijks iets. Mevrouw Van Tiggelen belde om 1 uur ’s nachts de huisartsenpost (pijn in haar buik, horen we later) maar die kwam te laat – waarschijnlijk was er niks aan te doen geweest. De politie heeft de deur geopend en haar gevonden. Naast de halfzus in Roosendaal zijn er geen nabestaanden bekend. Wat we wel hebben is een adres, dus bellen we aan bij de buren in een appartementencomplex in Transwijk. Van anonieme zeventigjarige vrouw verandert Ati ineens in een mens, een verhaal: stevig gebouwd was ze, met kort grijs haar, netjes, sociaal en de hele dag in de weer met het christelijk geloof. Dagelijks ging ze naar de hoogmis, bij verschillende kerken. Soms zat ze uren te bidden bij het klooster Cenakel in Zuilen, bij de zusters van de Eeuwigdurende Aanbidding, die elkaar dag en nacht afwisselen in een gebed dat geen seconde stilvalt.

We horen dat via haar Surinaamse buurman. Hij was nog bij het klooster gaan kijken, of zij iets wisten. Hij kende haar goed en als hij zich per ongeluk had buitengesloten mocht hij altijd via haar huis naar het balkon om weer binnen te komen. Een andere buurman, Abdel, sprak haar ook regelmatig. Mevrouw Van Tiggelen rookte shag, meestal binnen, maar ook wel met Abdel op de galerij. In coronatijd heeft hij haar een keer geknipt met de tondeuse en ook hielp hij met technische klusjes, zoals het instellen van de tv-kanalen. Zij gaf zijn kinderen snoepjes of speelgoed, bracht een kaartje met Kerst langs. Hij is aangedaan door het nieuws.

Via de buurman horen we dat ze een vriend had, in Lombok, en krijgen zijn nummer. De vriend blijkt op de hoogte, hij heeft het die ochtend van de politie gehoord. Via de telefoon laat hij weten dat ze elke dag met elkaar belden. Alleen het gespreksonderwerp ‘familie’ was taboe. Al twintig jaar gingen ze met elkaar om, al was het meer een vriendschap dan een liefdesrelatie. Naar de uitvaart kan hij niet komen, hij is 76 en durft het niet goed aan met zijn gezondheid. Hij weet het nieuws ook nog maar één dag.

De jonge Ati werkte vanaf haar achtiende tot haar zesendertigste in de verpleging, tot ze genoeg kreeg van de nachtdiensten. Sindsdien had ze een uitkering en stonden haar dagen vooral in het teken van geloof: radio- en tv-programma’s, bidden in kloosters en kerken. Ze hield ook van fietsen en maakte in de zomer lange tochten in haar eentje. Bovendien werkte ze als vrijwilligster in een hospice. Haar vriend en de buren hadden wel gemerkt dat ze zich de afgelopen maanden wat meer terugtrok, iets geslotener was.

De begrafenisauto is gearriveerd en we kijken toe hoe de blankhouten kist op een baar met wieltjes wordt gezet. De oudere halfzus en haar man zijn drie keer in Lourdes geweest, en nu hebben ze een gedicht uit uit Lourdes voor Ati meegenomen. We spreken af dat de dichter eerst gaat, en dat zij afsluiten. Een nicht zal het voorlezen.

Met koude handen ondanks de handschoenen lopen we als klein groepje achter de kist aan, naar het gemeentelijke veld. Een snip vliegt voor de zon langs, en dat in de stad. Alexis leest zijn gedicht en eindigt met het Onze Vader, omdat Ati vast liever een gebed had dan een gedicht. Dan volgt het gedicht uit Lourdes, ook een soort gebed. Het metalen kruisje dat op de kist ligt, mag de halfzus meenemen. Zo is het goed. Wat schepjes aarde en samen met de bloemen uit Roosendaal en onze witte rozen daalt de kist in bevroren grond. Het kleine gezelschap rijdt terug naar het zuiden. We passeren de poort, de dag begint.