Eenzame uitvaart van de heer Adrianus Robbie Stalp, 1946 – 2023

11 december 2023, St. Barbara, Utrecht

Dichter van dienst: Ruben van Gogh
Verslag: Alexis de Roode / Anne Broeksma
Met dank aan Rineke van Meteren.

GEEN BESTEMMING MEER
voor Adrianus Robbie Stalp, 07/4/1946 Bussum – 04/12/2023 Utrecht

De tachograaf van je leven geeft aan
dat de tijd gekomen is om voorgoed te rusten
Geen ritten meer langs verre kusten
Geen boeken die nog ongelezen wachten
Jarenlang bestond de door jou geziene
wereld zoals die zich ontvouwde voor je cabine,
zocht je je bestemming in gedachten,
hoewel je daar maar zelden over sprak.
In jezelf teruggetrokken, heet dat dan,
terwijl je zoveel grenzen overstak
overal en nergens thuis,
de sterrenhemel je vertrouwde dak.
Het rijden en rusten gingen zoals voorgeschreven,
zo verliep die etappe van je leven.
Er waren dieren en thuis je vriendin,
die tenslotte in een groot vergeten ook zichzelf vergat
en zo haar eindbestemming vond. Er waren twee
broers waar je geen contact mee had.
Toch was er nog een enkeling,
die met je tot het einde ging,
een laatste weg die op geen wegenkaart getekend staat,
maar die iedereen moet gaan.
Er waren nog obstakels op die weg,
maar je passeerde ze zoals je dat
wel vaker had gedaan
en kwam voor altijd aan.

 

VERSLAG

De Eenzame Uitvaart is vaak gelukkig iets minder eenzaam dan hij klinkt en dat is deze keer ook het geval. Behalve de uitvaartleider, drie medewerkers van de uitvaartonderneming, de dichter en de verslaggever blijken er zes kennissen en buurtgenoten van de overledene te zijn gekomen op deze grijze decemberdag waarop het gelukkig droog blijft. Het hart van het groepje buurtbewoners is mevrouw Rineke van Meteren, die nog het meest contact had met de overledene. Zij kende Rob Stalp via haar man, net als de heer Stalp eigenaar van een autobedrijf. Rineke van Meteren heeft dertig jaar ervaring in de thuiszorg en vanuit die ervaring stond ze de ex-collega van haar man een beetje bij. Wie zonder kind of kraai naar het einde toe moet, kan soms zomaar een engel op zijn pad vinden.

Rob Stalp was een grote dierenvriend. Hij had vroeger schapen en een herdershond gehad, en tot kort voor het einde nog een kat. Zijn beroep was eerst vrachtwagenchauffeur en later had hij een eigen autobedrijfje in Portengen (bij Kockengen). Hij wist en las veel: boeken in het Engels over allerlei onderwerpen, over de wereld, over dieren. Van Europa had hij als vrachtwagenchauffeur ook veel gezien. Hij zat vol verhalen, maar over emoties praatte hij niet. Het was een koppige man die het liefst zweeg over problemen.

Familie zag meneer Stalp niet meer. Hij had twee broers gehad die hij waarschijnlijk al tientallen jaren niet meer sprak. Wel had hij lange tijd een vriendin gehad waarmee hij samenwoonde. Zij werd drie jaar geleden voor zijn overlijden helaas dement en kwam in een verzorgingshuis terecht. Meneer Stalp vond het maar niks dat ze daar zat en had het gevoel dat het ten onrechte was.

In de laatste zeven maanden van zijn leven kreeg meneer Stalp prostaatkanker en problemen met zijn hart. Hij zweeg hierover, deed liever alsof het niet bestond. Rineke van Meteren ging met hem mee naar het ziekenhuis en zat bij de gesprekken met de artsen. De behandelingen sloegen helaas niet aan. Hij besloot daarom op een gegeven moment te stoppen met de behandeling en verder te leven. Op den duur moest hij op krukken gaan lopen, omdat zijn benen het begaven.

Ongeveer een maand voor zijn overlijden merkte mevrouw Van Meteren dat zijn huis wel erg vervuild raakte en dat hij minder goed voor zichzelf kon zorgen. De thuiszorg kwam wel bij hem langs, maar leek erg weinig te doen. In die tijd ging de kat dood en de heer Stalp zei op zeker moment door de telefoon dat de dode kat nog gewoon in huis lag en dat hij honger had. Rineke schrok van wat ze aantrof en schakelde snel de instanties in, die hem uit het huis haalden en overbrachten naar het hospice Careyn.

Dankzij het ingrijpen van Rineke van Meteren heeft Rob Stalp nog zo’n anderhalve week netjes verzorgd in Careyn kunnen zitten, voor hij stierf. In die laatste periode ging zij nog een keer samen met een vriendin bij hem op bezoek, ze hadden een hond meegenomen. Die hond was meteen gek op meneer Stalp, die er zelf ook helemaal van opleefde. Hij kwam overeind en werd door de hond gelikt. Niet lang daarna is hij overleden.

Als het moment van de teraardebestelling is gekomen, heet de uitvaartleider van St. Barbara, Ronald van Overbeek, de aanwezigen welkom en vraagt of iemand nog iets wil zeggen. Op dat moment komt er een hele stoet brandweerwagens voorbij rijden, minutenlang horen we alleen de sirenes van de brandweer, als een laatste eresaluut. Daarna neem Ruben van Gogh, de dichter van dienst, het woord en draagt zijn gedicht voor. De dragers laten de kist neer en de aanwezigen kunnen ter afscheid langs de groeve lopen, er eventueel nog een handje aarde in werpen. Daarmee is de plechtigheid ten einde. Bij de uitgang van de begraafplaats praten de buurtgenoten nog eventjes na.

Eenzame uitvaart van dhr. Willem van Kampen (1944 – 2023)

13/9/23, St. Barbara, Utrecht

Dichter van dienst: Jan van der Haar
Verslag: Dorien Dijkhuis

Van cijfers naar letters

9: Uw achternaam telt negen letters. U bent negenenzeventig
geworden. Uw huisnummer was 54, opgeteld dus negen.
Veel meer is niet te rekenen op deze numerologische
wijze, maar we weten weinig over u. Wat zegt de negen?
Die is krachtig, ruimdenkend, sociaal en heel veel moois,
die wordt gesymboliseerd door brons en door dolfijnen.
U woonde in een fraaie flat die in 2005 werd opgeleverd in
Leidsche Rijn. U was toen eenenzestig. U koos ervoor
te leven in een jonge nieuwbouwbuurt met heel veel jeugd.
Daar trok u zich aan op, daar werd u blij van en daar keek u
graag naar. Met uw halfzus in Amsterdam was de relatie niet
best. En verder zullen er geen vrienden komen op uw uitvaart.
De weinigen zijn al dood: het resultaat van hoge ouderdom.
Uw begin, waarnaar werd uitgezien, staat niet in verhouding tot
uw einde. Dat zich jammerlijk voordeed in het kleinste kamertje
van het huis. Het is alsof je in Pompeï in de as wordt verrast door
de uitbarsting van de Vesuvius, door archeologen wordt ontdekt.
De mensen van de thuiszorg hebben u netjes gewassen, opgebaard.
En nu zwaaien wij, een klein kuddeke, u uit: Behouden vaart…

//

Op maandagmiddag komt er een mailtje binnen van Barbara Uitvaart: in Leidsche Rijn is op 8 september meneer Willem van Kampen overleden. Er is niet veel over hem bekend. De thuiszorg, die ’s ochtends voor een dichte deur stond, had de politie ingeschakeld. Na forcering van de deur troffen agenten meneer van Kampen dood aan op het toilet. Voor zover uitvaartondernemer Alice Rijnhout heeft kunnen nagaan is er geen partner en zijn er geen kinderen. Van de thuiszorg heeft ze vernomen dat er een halfzus in Amsterdam is, maar dat meneer van Kampen geen contact met haar had. Het zal dus een Eenzame Uitvaart worden.

Er is, zoals bijna altijd met Eenzame Uitvaarten, weinig tijd. Jan van der Haar, die zich gemeld heeft als Dichter van Dienst, gaat direct met het gedicht aan de slag. Ik reis via Google Streetview door de Edmond Audranstraat, de straat waar meneer van Kampen woonde, in de hoop een glimp van zijn interieur op te vangen of misschien zelfs van hem zélf. Met de tijdfunctie op Google Maps kan ik reizen in de tijd. In oktober 2009 is het grootste deel van deze wijk nog weiland. De flat van Wim van Kampen staat er dan al wel. Met reuzenpassen sjees ik naar het heden. In sneltreinvaart verrijzen huizen, flats en straten. Op de recentste beelden, van vorige zomer, ligt de Edmond Audranstraat zinderend in de zon. Spiegelende ramen, dor gras, blikkerende autodaken. Geen mens op straat. Iedereen schuilt tegen de hitte. Op één van de opritten een klein meisje in zomerjurk met step. Hier woonde meneer van Kampen, een heer op leeftijd alleen, in een nette flat met kindertekeningen van krijt op de gevel.

Jan denkt dat Wim van Kampen niet echt eenzaam was. Waarom zou je er op je eenenzestigste ánders voor kiezen in Leidsche Rijn te gaan wonen, een nieuwbouwwijk die barst van de jonge gezinnen met kinderen? Het is op de een of andere manier een troostrijke gedachte: er komt dan misschien niemand op zijn begrafenis en hij was dan misschien wel alleen, maar dat is iets anders dan eenzaam.

Op woensdagochtend 13 september schijnt de zon. Gelukkig, want er was na een volle week zomer regen voorspeld voor vandaag. En als er iets is dat een eenzame uitvaart nog triester maakt dat hij al is, is het slecht weer. De vier studenten in pak die de kist zullen dragen, wachten aan weerszijden van de poort op de begrafenisauto. Vogels fluiten in de bomen. St. Barbara baadt in het licht.

Als de auto met de blankhouten kist arriveert, gaat Alice Rijnhout voorop. Achter de auto volgen de dragers en Jan en ik sluiten de rij. De dragers tillen de kist uit de auto. Daarna lopen we achter de kist aan naar het veldje waar we al zo vaak zijn geweest: het ‘armenveldje’ zonder grafstenen, met plastic naambordjes die uit de aarde steken alsof ze de namen van exotische bomen in een hortus botanicus aangeven. Ik kijk af en toe om in de hoop iemand te zien die toch nog afscheid komt nemen. Maar het pad blijft leeg.

De dragers manoeuvreren de kist boven het graf, draaien een kwartslag en buigen eerbiedig voordat ze het veld verlaten. Jan leest zijn gedicht voor. Over het leven en de levendigheid waar meneer van Kampen ongetwijfeld van hield en over de eenzaamheid die ons aller lot is, wanneer het ons ‘gegeven’ is zo oud te worden als hij.

Ik leg een witte kurkumabloem op de kist, bij de twee rode rozen van de uitvaartondernemer. Achter de bomen en hagen die de begraafplaats omzomen, raast het verkeer over de Biltstraat en Waterlinieweg. Hier stilte, daar reuring. Daar leven, hier dood.

Een bij vliegt aan en strijkt neer op een van de rozen. Het is alsof ze een laatste groet brengt aan meneer van Kampen. Wanneer ze opstijgt en terugvliegt naar de bijenkasten die ergens in het groen rond de begraafplaats staan opgesteld, wordt de kist langzaam in het graf neergelaten. Ik gooi een schep zand op de kist. Dof ploft het op de houten deksel. Ook Jan schept wat zand. Dan lopen we terug naar de uitgang en praten nog even na met uitvaartondernemer Alice.

De dragers, die hun statige pakken en hoeden inmiddels hebben verruild voor spijkerbroeken en T-shirts, springen op hun fietsen, rijden de poort door, de weg op, de stad in.

 

Eenzame Uitvaart van mevrouw F.G. Zwart van den Meersche (1942 – 2022) Sint Barbara, 3 december 2022

Eenzame Uitvaart van mevrouw F.G. Zwart van den Meersche (1942 – 2022)

Sint Barbara, 3 december 2022
Dichter van dienst: Ruben van Gogh
Verslag: Dorien Dijkhuis

 

Verschrikkelijk weinig

We staan hier bijeen helemaal aan het begin
van een eindeloos verschiet — u bent alleen,

uw drie kinderen wilden niet meer van u weten
(of kunnen dat niet), en uw man is bezig

alles in de wereld om hem heen te vergeten,
beseft misschien niet eens dat hij u volgen zal.

Het leven is een tranendal, wordt er soms gezegd
en in uw geval (of voor uw kinderen) misschien

ook wel terecht. U was al dood, maar lag nog lang
te wachten of iemand u nog missen zou, uw zus

wellicht, maar niemand kwam, of wist er van,
uw telefoon bleef stil, verloor bereik en raakte leeg.

Het leven dat u achterliet zweeg, maar nu voorgoed,
en wij weten ook niet hoe het verder moet.

Het beste is dat wij u dan maar niet vergeten, hoe
verschrikkelijk weinig we ook van uw leven weten.

Ruben van Gogh

 

Ik hoopte dat het erop zat voor 2022. Dat we we alle eenzame uitvaarten voor dit jaar zouden hebben gehad en dat er in onze stad dus niemand meer zou sterven die het ontbreekt aan nabestaanden en geliefden die aan het graf een woord van afscheid kunnen uitspreken.
Wishful thinking. Ruben belt. Dat kan maar één ding betekenen: een Eenzame Uitvaart.

Het is donderdagochtend. De begrafenis is morgenochtend al, om half tien. We hebben nooit genoeg tijd om erachter te komen wie iemand was: om informatie te vinden die de dichter van dienst in staat stelt een op maat gemaakt gedicht te schrijven en daarmee een monument op te richten voor een uniek en onherhaalbaar mensenleven. Maar deze keer is het wel héél erg kort: nog geen 24 uur.

Gelukkig is er íets om op te varen: we hebben een naam, een woonplaats een leeftijd, gegevens over familieleden. Mevrouw Zwart van den Meersche woonde in Ermelo. Later deze maand zou ze tachtig zijn geworden. Ze overleed in het UMC Utrecht nadat ze daar vorige week om onbekende redenen werd opgenomen. De begrafenisondernemer spoorde drie kinderen op die zonder uitzondering aangaven geen contact te willen en niks met de begrafenis te maken wilden hebben. En: er is een dementerende echtgenoot in een verzorgingstehuis, maar op doktersadvies mag hij niet naar de uitvaart komen.

We zetten de vraag voor een gedicht uit in de dichtersappgroep, maar er is natuurlijk niemand die op zo korte termijn tijd heeft om een gedicht te schrijven. Even vrees ik dat ik er dan zelf aan moet geloven. Het is dubbel: een gedicht schrijven voor een Eenzame Uitvaart is voor mij het meest waardevolle dat ik als dichter kan doen, maar tegelijkertijd is er altijd de angst dat het niet goed genoeg wordt, dat het monument dat ik voor iemands leven met mijn woorden opricht niet mooi genoeg is en tekort schiet. Mijn opluchting is dus groot als Ruben aangeeft het gedicht te willen schrijven. ‘Er zweven al wat woorden in mijn hoofd’, appt hij en gaat aan de slag. Vier uur later ploft het gedicht in mijn mailbox. Mooi, raak en troostrijk.

Het is half tien als de begrafenisauto het hek van Sint Barbara doorrijdt. Het is koud. Op de fiets naar de begraafplaats joeg de koude wind de tranen uit mijn ogen. Vier jonge dragers tillen de kist vanuit de auto op de baar en begeleiden hem achter begrafenisondernemer Ronald van Overbeek van Barbara Uitvaartverzorging aan naar het veldje waar we inmiddels al zo vaak zijn geweest: het ‘armenveld’ zonder stenen, links achteraan. Ruben en ik sluiten de rij.

Elke Eenzame Uitvaart is schrijnend. Al die verhalen die erachter schuilgaan: ze zijn telkens anders, maar altijd is er sprake van eenzaamheid. En meestal is die eenzaamheid niet bewust door de gestorvene gekozen. Ik denk aan het leven van mevrouw Zwart van den Meersche. Ze lag vier dagen in het mortuarium en er kwam niemand langs. Er zijn kinderen. Er is mogelijk een zus. Wat gebeurt er in een mensenleven? Wat gebeurt er in families dat mensen zo van elkaar verwijderd raken? ‘Wreed om je moeder zo in de steek te laten’, zei iemand die ik er gisteren over sprak. Maar zo zwart-wit is het natuurlijk nooit. Elk verhaal heeft twee kanten. En ongetwijfeld is er aan beide kanten sprake van pijn en eenzaamheid. Ik denk aan mevrouws’ echtgenoot. Zou hij haar missen nu ze niet meer op bezoek komt? Heeft hij nog weet van begrippen als gemis, liefde en dood?

Het achterste veldje, waar ik halverwege 2021 als mede-coördinator van de Eenzame Uitvaart Utrecht voor de eerste keer een Eenzame Uitvaart bijwoonde en dat destijds — pas anderhalf jaar geleden — nog lang niet ‘vol’ lag, is dat nu wél. We slaan af naar het pad ernaast, waar mevrouw Zwart de derde is die er in de zwarte aarde zal worden neergelaten. Meestal kijken we tijdens een Eenzame Uitvaart steels over onze schouder om te zien of er misschien tóch nog mensen komen. Deze keer weten we vrijwel zeker dat dat niet het geval zal zijn. Er zijn mensen die niet willen, er zijn mensen die niet kunnen en er zijn ongetwijfeld ook mensen die niet wéten van haar dood.

De dragers manoeuvreren de kist boven het graf. Ruben legt vier rozen op de kist, drie witte en een rode en leest zijn gedicht. Dan wordt de kist neergelaten. Ronald van Overbeek spreekt de wens uit dat mevrouw Zwart van den Meersche mag rusten in vrede. Ik pak wat vochtige aarde en gooi het op het blanke hout in het gat. Ook ik hoop dat ze mag rusten in vrede. En ik hoop ook dat dit voor 2022 de laatste keer is geweest dat we iemand uitgeleide uit het leven doen, omdat er niemand anders is.

Dorien Dijkhuis

Eenzame Uitvaart 4 augustus 2022

Eenzame Uitvaart van Robbert Kok (1947 – 2022)
Sint Barbara, 4 augstus 2022

Dichter van dienst: Jan van der Haar
Verslag: Dorien Dijkhuis

 

Houd Moedig Stand

 Van sportvereniging HMS supportte je het voetbal.
Je ging in Overvecht vaak naar wedstrijden en je
trakteerde na afloop op menig rondje. Want je was
gul, je hart was groter dan je lichaam dat er toch
ook mocht wezen. Levensgevaarlijk was je liefde –
nee, een vrouw en kinderen heb je nooit bezeten –
de scooter waar je graag mee toerde door het land,
als je uitgewerkt was als huismeester bij Concordia,
kreeg een ongeluk en je raakte slecht ter been, je
moest verhuizen en verloor de lopende contacten.
Je had uiteindelijk één huisvriend en het asielhondje
dat je Sendi noemde. En een grote verrassing en
geluk was het weerzien met je oude buurvrouw
in het revalidatiecentrum. Ze was erg op je gesteld.
Ze noemde je Rob, de medebewoners noemden jou
Meneer Koude Melk. Want je hield moedig stand.
Je was een hartelijke, vriendelijke sportliefhebber.
Je was een innemende man van de witte motor.

 

Jan van der Haar

 

Vrijdagmiddag krijgen we het verzoek van de gemeente voor een gedicht tijdens de uitvaart van Robbert Kok, een 74-jarige man die is overleden op de revalidatieafdeling van verzorgingshuis De Parkgraaf. De begrafenis zal de week erna zijn, op donderdag. Uitvaartleider Enid Schagen van PCB Uitvaartzorg heeft de bewindvoerder van meneer Kok gesproken. Hij was nog niet lang cliënt, dus veel wist hij niet over meneer Kok te vertellen. Behalve dat hij van zonnebloemen hield en dat er een huisvriend is met wie geprobeerd is contact op te nemen. Of hij naar de uitvaart komt, is nog niet zeker.

Ik bel het revalidatiecentrum en word hartelijk te woord gestaan door de receptioniste die me doorverbindt met de verpleegafdeling op de derde verdieping waar Robbert Kok sinds februari woonde. Een zorgmedewerkster die hem in de laatste weken heeft verzorgd, vertelt me dat hij een lieve man was. Dat hij dol was op melk en bij de medebewoners bekend stond als Meneer Koude Melk. Heel veel meer weet ze ook niet, ze kende hem nog niet lang. Of hij van zonnebloemen hield, kan ze niet beamen. Maar als ik vanmiddag even terug kan bellen, dan is Marian aan het werk. Zij heeft hem langer verzorgd en was bovendien lange tijd zijn buurvrouw.

Marian vertelt honderduit over haar oude buurman. Er spreekt genegenheid uit. Rob, zoals ze hem noemt, was een lieve hartelijke man. Gul en genereus. Hij hield erg van voetbal en ging ’s zomers graag toeren met zijn scooter om dan onderweg ergens een uitsmijter te eten. Door een scooterongeluk raakte hij op een gegeven moment slecht ter been en moest verhuizen naar Harmelen. Zo raakte hij zijn contacten uit Overvecht een beetje kwijt en werd zijn wereldje steeds kleiner. Marian was blij dat ze hem na al die jaren bij toeval terugzag toen hij opgenomen werd in het revalidatiecentrum waar ze werkte. Hij heeft het niet gezegd, maar ze denkt wel dat het wederzijds was. Of hij van zonnebloemen hield? Niet dat ze weet. Wel van zijn hondje, Sendi. Die haalde hij jaren geleden uit het asiel toen hij haar buurman nog was in Overvecht. Gek was hij op dat beestje. Zelf vindt ze het rot dat ze niet bij de uitvaart kan zijn. Ze moet werken en in de vakantieperiode is het lastig diensten ruilen.
Ik bel Jan om de dingen te vertellen die ik te weten ben gekomen zodat hij een gedicht op maat kan schrijven voor Robbert Kok.

De uitvaart is op donderdagochtend om half tien. Ik wil vóór die tijd een zonnebloem kopen bij de bloemenkraam tegenover de ingang van Sint Barbara. Maar de stal is dicht. Vakantiesluiting. Dus loop ik met lege handen de begraafplaats op. Jan is er al. Vrijwel direct daarna komen Enid Schagen en de begrafenisauto met de kist de poort door. Enid is het gelukkig wél gelukt een zonnebloem te pakken te krijgen. Traag lopen we achter de auto aan. Twee van de vier dragers doen het waarschijnlijk voor het eerst. Het gaat smetteloos, maar een beetje onwennig en ze worden gesouffleerd door de langste van het stel die duidelijk veel ervaring heeft.

Op het pad kijken we soms achterom om te zien of er nog iemand aansluit: de huisvriend die Enid had gesproken en gezegd had te zullen komen, iemand anders die Robbert Kok heeft gekend. Maar niemand volgt ons. Alleen de rode kater van Sint Barbara trippelt over het grindpad, duikt tussen de struiken en is dan verdwenen.

Als de dragers de kist boven het graf gemanoeuvreerd hebben en zich hebben teruggetrokken heet Enid welkom, zegt kort iets over meneer Kok en geeft dan het woord aan Jan die zijn gedicht leest op de stille begraafplaats. Enid legt de zonnebloem (die de tuinman speciaal voor haar uit de tuin van Sint Barbara heeft gesneden, zo blijkt later) op de kist. Als de kist is afgedaald gooi ik bij gebrek aan bloem ten afscheid een handje zand in het graf. Dan lopen we zwijgend terug naar de uitgang.

Halverwege het pad komen ons twee mensen tegemoet. Met allebei een zonnebloem. Het is de huisvriend in het bijzijn van een vrouwelijke metgezel. Ja, ze stellen er prijs op als we mee terug gaan naar het graf en de ’dienst’ nog eens over doen. Dus Enid heet welkom en leidt in. En dan leest Jan opnieuw het gedicht.

Het is vreemd om twee keer afscheid van iemand te nemen, maar ook mooi. Omdat het de tweede keer heel anders voelt: veel minder eenzaam en verloren. Ditmaal is het gedicht niet alleen voor Robbert Kok, maar ook voor iemand die van hem gehouden heeft, iemand die verdriet heeft, iemand die hem mist.
Op de fiets naar huis zie ik wat ik op de heenweg niet zag: ze groeien in gemeenteperken, tuinen, parken en tegen gevels. Utrecht barst in augustus van de zonnebloemen.

 

Dorien Dijkhuis

Eenzame Uitvaart 6 juli 2022

Eenzame Uitvaart van M.B.H Nijhuis (1937 – 2022)
Sint Barbara, 6 juli 2022

Dichter van dienst: Ruben van Gogh
Verslag: Dorien Dijkhuis

 

Tijd om te gaan

Tijd om te gaan nu

en het bestaan achter je te laten,

zoals je wel vaker vreemde havens
achter je liet toen je nog de oceanen over ging.
Herinnering na herinnering mee aan boord, alleen
voor jou. Ergens je geboortegrond, ergens
een vrouw, een dochter: een doorleefd verleden
waarmee je een ligplaats in dit heden vond.

Wie herinnert zich dat nou — een oude, lieve
man liep zijn rondje, at zijn eitje af en toe
en schreef en tekende, en las het hoe
en waarom van de dingen die er waren, het leven

dat hij was. Oh, iemand zal je zeker nog denken
te zien lopen, een ander vraagt zich even af misschien
of die bijzondere man nog leeft, eerst nadrukkelijk,
maar dan langzaamaan vager en vager
zoals de horizon in lucht en water opgaan kan
aan de einder — maar als hij er nog is, waar is hij dan?

De aarde hier is als de oceaan van het bestaan —
ankers los, 1, 2, 3 in Godsnaam, tijd om weer te gaan.

 

Ruben van Gogh

 

Dinsdagmiddag, tegen vijven. Bijna avond al. Ruben krijgt een bericht van de gemeente: dat er morgenochtend om negen uur een eenzame uitvaart plaats zal vinden. Een oudere man, dhr M.B.H. Nijhuis, geboren op 22 oktober 1939 in Nederlands Indië. Overleden op 2 juli in het Diakonessenziekenhuis aan de gevolgen van covid. Zijn laatste woonadres bevindt zich op de Burgemeester Reigerstraat. Ruben belt met uitvaartleider Marlies Masereeuw, maar ook zij tast al twee dagen lang in het duister: het ziekenhuis geeft geen verdere informatie en bij de gemeente krijgt ze ook geen antwoorden, zelfs niet na twee keer eindeloos in de wacht te hebben gestaan. Wel is ze blij dat wij als Dichtersgilde alsnog zijn aangesloten, want ze had het verzoek voor een dichter twee dagen geleden al ingediend.

Maar we hebben dus niets. Niet eens een voornaam. Hoe schrijf je een gedicht voor iemand van wie je niet eens weet hoe hoe hij genoemd werd, hoe hij leefde, waar hij van hield? Wat voor werk deed hij? Had hij hobby’s? Wat maakte hem tot wie hij was? Vragen, vragen, vragen. En daaronder, knagend, nog een andere vraag, de vraag die telkens rijst wanneer we door de gemeente een Eenzame Uitvaart krijgen aangemeld: was deze persoon wel echt eenzaam? Of je een Eenzame Uitvaart krijgt, wordt door de gemeente bepaald. Het heeft met protocollen te maken, boxen die worden afgevinkt, vaak ook met geld, helaas. Maar een Eenzame Uitvaart krijgen, betekent niet dat de overledene ook daadwerkelijk eenzaam wás. Sterker: uit ervaring weten we inmiddels dat de meeste Eenzame Uitvaarten helemaal niet eenzaam zouden hoeven zijn. Mits er maar íemand in het hele proces ietsje meer moeite zou doen om nabestaanden op te sporen. En nabestaanden, dat zijn niet alleen partners, familieleden of kinderen die de rekening voor de uitvaart kunnen betalen, maar ook: kennissen, vrienden, buren. Iemand heeft wellicht geen familie, maar iedereen heeft buren. En ook die verdienen het in de gelegenheid te worden gesteld om afscheid te nemen. Ook dat is onderdeel van een waardig afscheid van een mensenleven.

Ruben biedt aan het gedicht te schrijven. Hij moet snel aan de slag, want de begrafenis is morgenochtend al. Het liefst zou ik op de fiets springen om langs het pand te rijden waar meneer Nijhuis mogelijk woonde. Gewoon om te kijken of er mensen zijn die hem kenden, die ons verhalen kunnen vertellen. Maar ik ben niet in Utrecht. Dan maar langs via Street View: een bovenwoning. Dichte witte gordijnen. Geen glimp van spullen in de vensterbank, geen deel van het interieur, geen enkel spoor dat iets van meneer Nijhuis’ leven zou kunnen prijsgeven.

Inzoomen. Uitzoomen. Er zit een eetwinkel onder het pand. Ze delen hetzelfde portiek. Ik draai het nummer dat ik via google vind. Het meisje dat opneemt zegt dat ze meneer Nijhuis niet kent, maar dat er meerdere huurders boven de winkel wonen. Ze is zo aardig om even voor me te gaan aanbellen. Tien minuten later word ik gebeld door Noël Romijn. Hij is geschrokken en aangedaan. Meneer Nijhuis, die Max van zijn voornaam heette, was zijn buurman. Net als Noël huurde Max Nijhuis er een studio. Ze groetten elkaar in het voorbijgaan. Volgens Noël had meneer Nijhuis in de zeevaart gewerkt. Hij had hem vorige week gevonden en de ambulance gebeld, nadat de eigenaar van de eetwinkel alarm geslagen had dat ze hem al een tijdje niet had gezien. Toen meneer Nijhuis niet antwoordde op zijn kloppen, maar er wel een moeizaam ademhalen uit zijn kamer kwam, besloot Noël naar binnen te gaan. Meneer Nijhuis lag op zijn bed, heel benauwd, niet in staat om te spreken. Aangezien hij geen familie was, kreeg Noël niet te horen naar welk ziekenhuis ze hem brachten, ook mocht hij zijn gegevens niet bij hen achterlaten als contactpersoon. In de dagen erna belde hij alle ziekenhuizen in de omgeving om te achterhalen waar meneer Nijhuis was gebleven, maar vanwege privacyredenen wilde niemand hem die informatie verstrekken. Zo komt het dat hij, nu ik hem bel, pas weet dat meneer Nijhuis niet meer leeft en morgenochtend begraven zal worden.

Ik bel Loes, de eigenaar van de eetwinkel. Ze vertelt dat een klant van haar meneer Nijhuis had zien lopen en vond dat hij er slecht uitzag. ‘Scammy’ noemde ze hem. Die klant kende hem nog van vroeger en had geopperd dat hij naar de dokter moest gaan, maar dat wilde hij niet. Toen Loes hem vervolgens twee dagen niet zag, kreeg ze argwaan en besloot ze aan te bellen bij de bovenburen. “Hij was altijd heel vroeg op”, zegt ze. “Dan liep hij een rondje in de buurt. Aangezien ik hier ook vroeg begin in de winkel, zag ik hem altijd langslopen. We groetten elkaar en soms kwam hij een gekookt eitje bij ons kopen. Dat staat niet op de kaart, maar voor hem maakten we een uitzondering. Het was een heel lieve man.” Loes brengt een aantal andere buurtbewoners op de hoogte van zijn overlijden voor het geval ze morgen afscheid willen nemen. Meneer Nijhuis was een stille man, maar geen onbekende in de buurt.

Noël is inmiddels de kamer van meneer Nijhuis binnengegaan om te kijken of hij iets kan vinden voor het gedicht dat Ruben moet gaan schrijven. Bliepbliep, de ene na de andere foto komt op mijn telefoon binnen via whatsapp: jeugdfoto’s in Indonesië dat toen nog Nederlands-Indië heette; een trouwkaart, zeekaarten, tekeningen, aantekeningen, zeevaartparafernalia… Het is alsof je traag een camera scherp stelt. Langzaam krijgen we beeld: een Indische moeder, een Hollandse vader, een zusje misschien, een baan bij de Marine, een trouwdag in 1965, mogelijk een dochter. Ik stuur alles door naar Ruben. Hoe meer info hoe beter. Want hoe meer informatie, hoe meer Ruben het gedicht speciaal voor meneer Nijhuis kan schrijven. Dat is wat we willen met de Eenzame Uitvaart: een gedicht schrijven dat kan fungeren als een soort monument voor iemands leven: een uniek mensenleven.

Om twaalf uur ’s nachts mailt Ruben me het gedicht. Ik ben er stil van. Omdat hij het in zo korte tijd heeft weten te maken, maar vooral omdat het mooi en troostrijk is. Het doet niet alleen recht aan meneer Nijhuis, maar het zal de mensen die morgen wellicht naar zijn uitvaart komen, ook zeker troost bieden.

De volgende ochtend schijnt de zon. Noël staat al klaar bij de ingang met een bos bloemen. Namens de huisbaas meldt zich Josie. Ook zij heeft bloemen bij zich. Even voor negen uur komt de begrafenisauto aangereden. We volgen begrafenisleider Marlies Masereeuw en de auto met de blankhouten kist waarin meneer Nijhuis ligt naar het veldje waar we inmiddels al zo vaak zijn geweest: het ‘armenveldje’ zonder grafstenen. We maken plaats voor de dragers die de kist van de baar halen en hem boven het graf laten zakken. Ruben en Josie leggen hun rozen op de kist. Noël spreidt zijn bos over de hele lengte van de kist uit zodat meneer Nijhuis onder een deken van bloemen komt te liggen. Daarna legt hij er een woestijnroos bij, een zandkleurige gipskristal van woestijnzand.

Ruben leest zijn gedicht. Het klinkt mooi en troostend op de verder lege begraafplaats. Daarna nemen we afscheid van meneer Nijhuis met een buiging en gaan we op weg naar de uitgang. Noël is blij dat ik hem belde, zegt hij. Hij is blij dat Max een waardig afscheid heeft gekregen en dat hij erbij kon zijn. Als hij het pas achteraf had gehoord, zou hij dat heel verdrietig hebben gevonden. De woestijnroos had hij een paar dagen geleden in een opwelling in een winkeltje in Den Haag gekocht, zegt hij. Nu pas weet hij dat hij híervoor was. Om een man die over de wereld heeft gereisd te vergezellen in de aarde waarin hij voor de laatste keer voor anker gaat.

 

Dorien Dijkhuis

Eenzame Uitvaart van mevrouw Hendrikje Jacoba Maria (Hennie) Apperloo (8 juli 1944 – 17 maart 2022)

Gedicht: Alexis de Roode
Verslag: Dorien Dijkhuis

 

Nachtwacht

Ze werd geboren in de laatste oorlogszomer
en kroop heelhuids de hongerwinter uit.
Dat haar moeder uit Oostenrijk kwam,
daar kon ze toch niets aan doen.
Er was een echtgenoot, heel eventjes.
Ze werd een Heilsoldaat en bleef het.

En ergens begonnen stemmen te spreken.
Als binnen niet aansluit op buiten
wil je de deur soms liever sluiten,
het verborgen leven is zichzelf genoeg.
De oude vrienden raakten op afstand,
maar Jezus bleef. En Jipje en Winni.

Lief en in de war. Dichter bij de dood
eenvoudig en eerlijk als een kind.
In het ziekenhuis werd ze ieders lieveling.
Ze zong en bad en schonk weg wat ze had.
Ze borduurde de Nachtwacht na,
die mocht naar het Rijksmuseum.

’s Nachts als de stemmen scholden
en haar kinderen in de schoenen schoven
miste ze de poezen en de steun van Riet.
Bij Kruidvat kocht ze kattensnoepjes
in drie smaken: zalm, kip-kaas, octopus,
voor als ze weer naar huis zou mogen.

Ze dacht nog niet dat ze ging sterven.
Onze Lieve Heer had het te druk voor haar,
hij wilde haar nog niet hebben.
Tot hij ten slotte toch tijd voor haar maakte.
Nu is ze naar huis, naar wie op haar wacht –
“als een kaarsje brandend in de nacht”.

Alexis de Roode, 24 maart 2022

 

Op vrijdagmiddag komt er een mailtje binnen van de gemeente: in het Antonius Ziekenhuis in Leidsche Rijn is op zevenenzeventigjarige leeftijd mevrouw Hendrikje Jacoba Maria Apperloo overleden. Voor zover uitvaartondernemer Enid van Schagen van PCB Uitvaartzorg heeft kunnen nagaan, is er geen partner, zijn er geen kinderen en valt er met het enige contact van mevrouw Apperloo waarvan men in het ziekenhuis op de hoogte was geen contact te leggen. Het zal dus een Eenzame Uitvaart worden.

Alexis de Roode meldt zich als Dichter van Dienst. Speurend naar informatie om het gedicht te kunnen schrijven, belt hij met de uitvaartondernemer en het ziekenhuis. Hij krijgt onder andere Ramon Goossen aan de lijn. Hij is geestelijk verzorger bij het Antonius Ziekenhuis en heeft mevrouw Apperloo tijdens de laatste maanden van haar leven geestelijk bijgestaan. Volgens hem was ze een warme hartelijke vrouw, maar wel met een psychiatrische achtergrond waardoor ze soms ook in de war was. Met de informatie die hij her en der krijgt, zet hij zich aan het gedicht.

Op donderdag 23 maart schijnt de zon. Begraafplaats St. Barbara baadt in het licht. Sinds de vorige keer dat we hier voor een Eenzame Uitvaart waren, zijn de bomen en de struiken uitgelopen. Alles barst van het nieuwe blad. Als Alexis en ik elk met een bosje bloemen de poort van de begraafplaats doorstappen, is het daar niet leeg, zoals meestal met Eenzame Uitvaarten, maar staat er een groepje mensen te wachten op de kist.

Alexis herkent geestelijk verzorger Ramon Goossen. De anderen, drie dames en een heer, zijn gekleed in het uniform van het Leger des Heils. Alexis wist dat er mogelijk iemand van die organisatie zou komen. Al bellend had hij een link tussen mevrouw Apperloo en het Leger des Heils ontdekt. Alexis was degene die het Leger eerder deze week op de hoogte gebracht had van haar overlijden. Maar dat er vier afgezanten zouden komen, dat had hij niet verwacht.

Als we traag achter de kist aan lopen en op zachte toon kennismaken met de overige begrafenisgasten, komen we erachter dat mevrouw Apperloo zelf ook haar hele leven ‘heilsoldaat’ is geweest: officier. Ze heeft veel gedaan voor het werk van Majoor Bosshardt in Amsterdam. De aanwezige heilsoldaten hebben haar allen goed gekend en veel met haar gewerkt. Eén van hen, mevrouw Paula Steeksma, was veertig jaar lang heel goed met haar bevriend. Ze zagen elkaar iedere zondag totdat mevrouw Apperloo onder invloed van een vriendin met dezelfde psychiatrische problematiek onlangs naar Cockengen verhuisde waar ze afgesneden raakte van haar sociale contacten. Paula Steeksma raakte haar tot haar verdriet uit het oog. Ze had niet eens meer een adres. Ze kan nog amper bevatten dat haar vriendin er niet meer is. En ook niet dat ze een gemeentelijke uitvaart en geen gewone begrafenis krijgt. ‘Ik snap er niks van’, zegt ze zacht. ‘Hennie is altijd goed verzekerd geweest. Ze heeft haar hele leven premie betaald. Hoe kan dit nou?’

Eenmaal bij het graf waar de kist zal worden neergelaten blijken we amper met zijn allen op het pad te passen. Op dit deel van het kerkhof, ook wel het ‘armenveld’ genoemd, zijn de paadjes smal. Maar het voelt goed om met zoveel mensen te zijn. Het is toch altijd wat we hopen zodra er een melding voor een Eenzame Uitvaart komt: dat de uitvaart toch niet eenzaam blijkt te zijn. Wat het óók anders maakt dan anders is dat Ramon Goossen een liturgie heeft gemaakt. Hij deelt de blaadjes uit. Zelf noemt hij het klein en bescheiden, maar dat er hier bij het graf toch een ‘dienst’ is en warme woorden worden gesproken, voelt warm en groots. Dit is hoe troost voelt.

In een persoonlijk verhaal roept hij de laatste drie maanden van het leven van Hennie Apperloo in herinnering. Haar vertrouwen in God, haar gastvrijheid en gulheid en haar liefde voor zingen. Er volgen een gebed en een Bijbellezing uit Johannes 6. Daarna leest Alexis het gedicht voor dat hij heeft geschreven. Hij verontschuldigt zich bij voorbaat voor de gebrekkigheid ervan: in het afgelopen half uur is hij zoveel méér te weten gekomen over het leven van Hennie Apperloo dat hij het gedicht het liefst zou willen herschrijven, wat hij later ook zal doen. Desondanks zijn zijn regels mooi en troostrijk.

Majoor Gerda Bos neemt het woord. Zij heeft Hennie goed gekend en nauw met haar samengewerkt. Ze vertelt over die vriendschap, over de slechte tijden die Hennie vanwege haar psychiatrische achtergrond heeft gekend, maar ook over haar grote bijdrage aan de samenleving als heilsoldaat.

Als ze is uitgesproken sprenkelt Ramon Goossen met een grote zwarte kwast weiwater over de kist en bidt om zegen over het graf. Aarde tot aarde, stof tot stof, as tot as. In de naam van de Vader, de zoon en de Heilige geest.

Samen zeggen we het Onze Vader. Ramon vertelt over het lied dat Hennie Apperloo zo dierbaar was. Ze kon in de laatste weken van haar leven amper nog praten, laat staan zingen, maar toen Ramon de laatste keer bij haar was en het lied aan haar bed voor haar zong, was ze in staat de tekst met hem mee te spreken. Ramon had het willen oplezen, maar de heilsoldaten zetten in: mijn God is waarlijk God voor mij. Het klinkt breekbaar en krachtig tegelijk op de verder stille begraafplaats die na het lied nog stiller klinkt.

Wanneer we een voor een afscheid hebben genomen, praten we nog wat na. Paula Steeksma slikt haar verbijstering weg over het feit dat haar vriendin een gemeentebegrafenis heeft gekregen. ‘Dan ben je zo lang heilsoldaat geweest…’, zegt ze. ‘Hennie had een uitvaart in de kerk verdiend. Met alles erop en eraan. En met een heleboel mensen. Ze was erg geliefd.’

Toch is iedereen ook blij dat de uitvaart niet ‘eenzaam’ was, zoals aanvankelijk werd gevreesd.

‘Het was dan wel sober, maar toch ook waardig’, besluit majoor Bos. Ze geeft Paula Steeksma een arm, die zich heeft omgedraaid naar de uitgang. Together we’re one, staat er op de rug van haar Leger des Heils-uniformjas. Samen lopen ze terug naar de auto.

Dorien Dijkhuis

Eenzame uitvaart 14 februari 2022

Eenzame Uitvaart 14 februari

Dichter van dienst: Jan van der Haar

 Geen rococo

U heeft zich weinig willen laten kennen.
U droeg een bril om de wereld te zien.
Dat de wereld u bekeek stond u niet aan.
Ik ken uw naam, maar niet veel meer.

U werd als Renée Schwarz geboren
op 8 oktober 1949 in Wenen: een lief
klein meisje dat veel gehuild heeft.
U was daarin een baby als alle anderen.

U bent groot geworden, volwassen, maar
u bleef klein van postuur. U emigreerde
van Oostenrijk naar Utrecht, woonde in
een vesting aan het Smakkelaarsveld.

Er was één iemand die u na stond en als
contactpersoon fungeerde toen u op kamer
4 lag in het hospice. Na uw dood trok die
zich terug. Uw dossier mocht niet geopend.

Familie had u niet en u wilde geen rococo.
U wilde geen uitgeleide uit het hospice.
U was klein, maar wilde zich groot houden.
U was flink en sterk en stelde daar eer in.

U heeft uw leven geleid zoals u dat wilde.
Toen de dood onafwendbaar bleek, heeft
u zich grootmoedig overgegeven, maar niet
dan na zelf het moment ervoor te kiezen.

Op 10 februari 2022 bent u naar de dood
begeleid. U was toen goddank niet alleen.
Al te lang bent u dat geweest. Misschien
wel omdat u heel goed in alleen zijn was.

U heeft zich niet willen laten kennen, maar
gekozen voor een weldadige, anonieme rust.
‘Geen rococo,’ heeft u gezegd. Daaruit sprak
uw stijlgevoel. Dat was veelzeggend genoeg.

 

Jan van der Haar
(14 februari 2022)

 

 

Eenzame uitvaart 1 december 2021

Dichter van dienst: Dorien Dijkhuis
Verslag: Ruben van Gogh

 

voor J.P. Vlieland

eerst was er slechts een beeld waarop u (bent u dat?)
met een Jumbotas uw huis uitloopt, uw gezicht
door Google Streetview uitgewist, een onbekende
dood in bed en niemand die u kent of mist

toen bleek uw leven rijker dan gedacht
er was een baan, een vriendenkring, een netwerk
dat verdrietig is, verhalen dat u veel van geschiedenis
af wist, gezworven heeft, een opleiding, dat u
met vrienden ’s zomers graag naar Zandvoort ging

waar je je oor te luister legt, steeds wordt er
van uw hart verteld, uw hart dat 55 jaar de maat
aangaf, waarin voor iedereen een plekje was:
cliënten van de verzekering waar u zelfs na uw werk
nog tijd voor had, patiënten in de GGZ, een dochter
die u liefhad maar niet zag, de fietsenstalling
waar u gastheer was
een van de besten die de stad ooit had

ik denk aan wat u zei, ooit, in een interview – u werkte
op de Zadelstraat – u droomde van een wereld waarin
ieder telt, iedereen elkaars gelijke is en dat u mensen
missen kon, zich zorgen maakte als u vaste klanten
lange tijd niet zag, de dame die u voor uw
gastheerschap bedankte met een taart

ik weet nu dat u niet eenzaam was, dat u liefhad
en werd liefgehad, dat wij hier staan en straks
een vrouw een brief zal lezen aan uw graf

meneer Vlieland, rust u zacht
JP, bedankt dat u er was

 

Dorien Dijkhuis

(01/12/2021)

 

Een Eenzame Uitvaart die dat niet had moeten zijn

De laatste Eenzame Uitvaart van 2021, op 1 december, had geen eenzame uitvaart hoeven zijn. Enkele weken daarvoor was er al een “Geenzame Uitvaart” geweest: een aangemelde Eenzame Uitvaart, waarbij overledene bij leven zo duidelijk aan alles en iedereen te kennen had gegeven dat hij niemand, maar dan ook echt helemaal niemand, bij zijn uitvaart wilde hebben, dat we daar gehoor aan hadden gegeven. Nu waren we, ondergetekende (RvG) en dichter van dienst Dorien Dijkhuis, er wel bij, op een buiige, kille ochtend. Maar we waren niet alleen.

De melding was enkele dagen daarvoor binnengekomen en leek ogenschijnlijk een ‘reguliere’ Eenzame Uitvaart te worden: een uitvaart waarbij er ‘niemand anders en anders niemand’ dan de uitvaartbegeleiders, een dichter en een verslaglegger aanwezig zullen zijn. Geen nabestaanden, geen familie, geen vrienden, geen kennissen. Er was een zus, die het regelen van de uitvaart niet op zich nam en niet aanwezig zou zijn. Er was een dochter, waar vanaf jonge leeftijd geen contact mee was. Kortom, het globale beeld van iemand die een beetje verloren is geraakt in de samenleving en/of zichzelf, zoals we wel vaker tegenkomen bij een Eenzame Uitvaart. Wel was er melding van een foto, die deed vermoeden dat meneer werkzaam was (geweest) bij een fietsenstalling.

Er waren verder zo goed als geen gegevens beschikbaar over meneer, vanwege de wet op AVG mogen instanties geen informatie delen, zo ook de gemeente zelf. Al geldt deze wet voor ‘levende personen’. We zaten, zoals vaker bij een Eenzame Uitvaart, wat informatie betreft,  met lege handen, totdat Dorien Dijkhuis in een gesprek met de uitvaartondernemer toevallig een ‘roepnaam’ van meneer te horen kreeg. Onder die naam bleek hij op Facebook te zitten, daar ‘vrienden’ te hebben en er bleek zelfs een vriendin te zijn, en bovenal: hij was gewoon in dienst van de gemeente zelf — bij U-Stal, de fietsenstalling!

Uit contact met zijn Facebook ‘vrienden’ en collega’s van U-stal, die niet ingelicht werden door hun werkgever en geschokt reageerden, kwam een warme, soms overbetrokken persoon naar voren: gekend en geliefd (zij het misschien oppervlakkig) bij velen. Dan verwacht je in normale situaties bij een begrafenis een redelijk gevulde aula en enkele van tranen vergezelde speeches — als de mensen er maar van geweten hadden.

Zijn vriendin had de laatste maanden voornamelijk telefonisch contact met hem gehad, vanwege de Corona-beperkingen en wat wrevel over het wel (zij) of niet laten vaccineren (hij), maar was 24 jaar zijn geliefde geweest. Vanwege haar gezondheidsconditie gaf zij aan zo vroeg (9u) niet naar de Uitvaart te kunnen komen, zij zou in de  middag wel naar het graf gaan en daar een brief voorlezen.

Toen Dorien en ik op Begraafplaats Barbara aankwamen was het koud en regende het. De vriendin van de heer Vlieland was het, in gezelschap van een begeleidster, toch gelukt te komen. Ook de directeur van U-Stal bleek aanwezig, en had een directe collega van Vlieland meegenomen. En zo, in een klein gezelschap, liepen we door plassen en modder naar het stille hoekje waar de begrafenissen van gemeentewege plaatsvinden. De brief uit het gedicht werd nu vooraf gelezen door de vriendin van Vlieland en ook Dorien las haar gedicht met, gelukkig, toch meer toehoorders dan verwacht. Maar hoeveel hadden dat er kunnen zijn, en eigenlijk moeten zijn?

Een week later hoorden we via de collega van U-stal die er wél was geweest dat er nog veel meer collega’s hadden willen komen, maar zij hadden er geen vrij voor kunnen krijgen. Kortom: het was een Eenzame Uitvaart die niet eenzaam had hoeven en moeten zijn.

Ruben van Gogh

Eenzame Uitvaart van Xin Chen (1979 – 2021)

Sint Barbara, 28 mei 2021

Dichter van dienst: Ruben van Gogh
Verslag: Dorien Dijkhuis


Mijlenver van huis

Er waaiden geluiden over waar je was:
een kakofonie aan onbekende klanken
die om gerechten vroegen, en dranken.

En rauw vervolgens de vertalingen, alleen
voor jou of een collega te verstaan,
in die van de wereld afgescheiden keuken
in een sushirestaurant te Zaltbommel.

Mijlen en mijlenver vandaan van China,
waar een vrouw was die wachtte

op een teken van leven, of een gesprek
— en bleef dat in gebreke, dan minstens
toch een cheque. Nu lig je ver van dat alles

op een plek die niemand ooit voor je had
bedacht, als een verkeerd besteld gerecht
dat niet naar een tafel wordt gebracht.

Geen taal voorhanden in deze eeuwigheid,
geen gerechten, geen drank, geen gesprek;
niet eens de mogelijkheid tot spreken,
nooit meer zo’n cheque. Er blijft alleen

de stilte over, mijlenver van huis: stilte
die in den vreemde is blijven steken
op een onbekende plek.


Ruben van Gogh

 

Donderdagmiddag half vier krijgen we van de gemeente een verzoek voor een Eenzame Uitvaart: morgenochtend half tien. Op 21 mei overleed in het UMC een Chinese 41-jarige man, Xin Chen. Dat is al bijna een week geleden. Waarom het zo lang geduurd heeft voor ons het bericht bereikte of wat de doodsoorzaak is, weten we niet. Alleen dat hij in een sushirestaurant in Zaltbommel werkte en in het UMC Utrecht is overleden.

Ruben stuurt een mailtje naar de leden van het Dichtersgilde met de vraag of er iemand is die op deze extreem korte termijn een gedicht kan schrijven. Als niemand reageert zal hij het zelf doen. Ik kan me niet voorstellen dat het kán, in een paar uur een gedicht schrijven voor een onbekende waarvan we zó weinig weten en dat desondanks enigszins recht doet aan een mensenleven. Zelf heb ik het lef niet. Als zich om zeven uur nog niemand heeft gemeld, begint Ruben aan zijn titanenklus. Wanneer ’s avonds laat een mail in mijn inbox ploft met het gedicht erin en het verzoek om het te printen, weet ik dat het dus wél mogelijk is. Ruben heeft het bewezen.

In de tussentijd speuren we nog naar sporen, maar stuiten op dichte deuren. Google levert niets op, de eigenaar van het sushirestaurant spreekt slechts Chinees, niemand weet waar Xin Chen woonde, het UMC kan vanwege de AVG-privacywet helaas niets zeggen over zijn laatste uren of de doodsoorzaak en de uitvaartondernemer weet net zo weinig als wij. Het enige wat we nog te weten komen is dat Xin Chen pas drie maanden in Nederland was, dat hij een hoofdwond had én dat er wel degelijk nabestaanden zijn. In China. Een echtgenote. Telefonisch heeft zij via een Chinese boekhouder laten weten dat ze graag wil dat haar man gecremeerd wordt om de as uiteindelijk naar China te laten transporteren, maar dat ze zelf geen geld heeft om de crematie te betalen. Geld voor een ticket om de uitvaart bij te wonen is er ook niet.

’s Ochtends schijnt de zon. Het is een van de eerste echte zomerse dagen. Ruben zit al te wachten op het muurtje bij Sint Barbara. Hij heeft een bosje zonnebloemen gekocht. We worden begroet door uitvaartleider Claudia ter Wal en verzorger Herman Gresnigt van Barbara Uitvaartzorg. Niet veel later glijdt de zilveren rouwauto door het hek. Achterin staat de blankhouten kist. Terwijl die op een verrijdbare draagbaar wordt getild, biedt Claudia ter Wal – geheel onnodig – haar excuses aan voor het feit dat we pas op het laatste nippertje werden ingeschakeld. Zij kreeg de overlijdensmelding van het ziekenhuis en moest eerst zélf het nodige speurwerk doen om erachter te komen óf er nabestaanden waren en of die van plan waren om te komen voordat ze wist of het een ‘eenzame uitvaart’ zou worden of niet. Ook wist ze lange tijd niet of het lichaam moest worden begraven of gecremeerd. De communicatie met de Chinese boekhouder ging in gebrekkig Engels en liep daardoor nog eens extra vertraging op.

We lopen achter de kist aan naar het ‘armenveldje’. Grind knerpt onder onze schoenen. Krassende kraaien, uitbundig fluitende vogels, op de achtergrond het Utrechtse ochtendverkeer. De rode kater die op het kerkhof woont, komt aangerend en strijkt spinnend langs onze benen.
Ik vraag me hardop af hoe het kan dat de echtgenote van meneer Chen wil dat hij wordt gecremeerd en dat er nu toch een begrafenis plaatsvindt.
‘Omdat mevrouw dat zelf niet kon betalen’, zegt Claudia ter Wal. ‘Omdat er geen geld is, is de gemeente verantwoordelijk.’
‘Maar is cremeren dan duurder?’ vraag ik. ‘Is dat de reden dat de gemeente de wens van de echtgenote niet kan inwilligen?’
Cremeren blijkt goedkoper te zijn, maar zodra de gemeente verantwoordelijk is voor de uitvaart, wordt het standaard een begrafenis. Omdat er altijd later toch nog nabestaanden kunnen aankloppen voor het stoffelijk overschot en een eventuele herbegraving.
Ik begrijp het niet goed. Er zíjn hier toch nabestaanden? Zij willen geen begrafenis, maar een crematie om de as naar China te kunnen halen… Er is niemand die deze begrafenis echt wil.

We staan op ongeveer dezelfde plek als twee weken geleden toen we meneer van der Rijst hier begroeven. Ook toen stonden we er met lege handen. Nu voelen onze handen nog leger, omdat we weten dat er in China een vrouw is die rouwt zonder echt afscheid te kunnen nemen. Die zelfs niet eens de as van haar overleden man zal kunnen bijzetten of uitstrooien, omdat hij ligt begraven op een Nederlands kerkhof.
De kist wordt boven de kuil gereden. We zwijgen. De grafpoes drentelt rond de kist, snuffelt aan de roos die Barbara Uitvaartzorg op het deksel heeft gelegd. Dan leest Ruben het gedicht dat hij gisteravond in een paar uur schreef. Door de strofes over onbekende klanken en gerechten moet ik denken aan de gerechten die ik in China at. Gerechten die volgens mijn vertaal-app ‘Healthy rape soup’, ‘Dip of phyllostachys pubescens’, ‘Family portrait shrimps’ of ‘Dog comes next’ heetten.
Wat als ik tijdens de reizen die ik in China maakte zou zijn overleden. Zou de ambassade zich er dan niet mee hebben bemoeid? Zou mijn lichaam dan niet zijn gerepatrieerd om me in Nederlandse bodem te begraven?

’s Avonds schenk ik het laatste restje rijstwijn uit de fles die ik een paar jaar geleden in Chengdu kocht. En ik brand een stokje wierook. Om de honger van de overleden geesten te voeden zoals ze op sommige plekken in China gewend zijn te doen.

Dorien Dijkhuis

Eenzame Uitvaart van H. van der Rijst (1946 – 2021)

Sint Barbara, 12 mei 2021

Dichter van dienst: Ruben van Gogh
Verslag: Dorien Dijkhuis


Aanklacht in inkt

Je hebt de bewijzen van je bestaan in inkt
aangebracht op bijna iedere plek

van je huid. Zelf wist je dondersgoed waar
dat allemaal om was: iedere beslissing,

ieder markant moment, als vergewissing
geuit tot een besluit op levend perkament.

Wij, die daarvan weten, weten verder niets:
we hebben geen document voorhanden

dat ons vertelt wie je nog meer bent
dan je naam, je leeftijd en die inkt alleen.

Er is een drietal letters uit het alfabet – avg –
dat ons belet meer te weten dan het gissen

dat er mensen moeten zijn die je missen
als zij wisten dat je er niet langer bent.

Rust zacht, geef dan de tijd maar het respijt
om nog te zien hoe en wie je werkelijk was

met die lijnen op je lijf, strepen as, die hier
met jou stilzwijgend in de grond verdwijnen.

Ruben van Gogh

 

Op maandagmiddag 10 mei komt een bericht binnen van de gemeente dat in het UMC dhr. Herman van der Rijst is overleden. Omdat hij geen nabestaanden heeft, krijgt het Dichtersgilde van de gemeente Utrecht het verzoek voor een Eenzame Uitvaart. De begrafenis is anderhalve dag later al, op woensdagochtend 12 mei. Veel tijd om uit te zoeken wie meneer van der Rijst was, om een gedicht op maat te kunnen schrijven, is er niet. Dat is frustrerend. Vooral omdat die informatie er wel ís, maar niet met ons kan worden gedeeld vanwege de AVG, de Algemene verordening gegevensbescherming.

Ook uitvaartondernemer Ronald van Overbeek van Barbara Uitvaartverzorging tast in het duister. Wel weet hij dat corona niet de doodsoorzaak was. Dankzij de geboorteakte die van Overbeek in handen heeft gekregen weten we dat Herman van der Rijst in juni 1946 in Utrecht werd geboren en dat hij dus net geen 75 geworden is. Wat ze bij Barbara Uitvaartverzorging ook weten, omdat ze hem in de kist hebben gelegd, is dat zijn lichaam bedekt was met tatoeages.

Hoe schrijf je een gedicht voor iemand als je niets van hem weet? Hoe doe je een mensenleven recht als je niet weet wie hij was? Er zit niets anders op dan zelf op onderzoek uit te gaan. We google’en, checken Facebook, pluizen social media na. Ruben belt een tatoeageshop met de vraag wat het betekent, een man van 70-plus die van onder tot boven onder de tatoeages zit. Ik bel de drie adressen die onder ‘H. van der Rijst’ in het telefoonboek staan om zijn adres te vinden, maar krijg één melding van een fout nummer en twee keer geen gehoor. Ook een speurtocht via Google Streetview, levert niets op. De tijd tikt door, de begrafenis nadert, Ruben moet beginnen met zijn gedicht om het op tijd af te krijgen.

Op woensdagochtend schijnt de zon. Sint Barbara bloeit. Atalanta’s fladderen boven de struiken.

Twee dragers staan al klaar bij de ingang, van Overbeek heet ons welkom en tien minuten later, stipt om half tien, glijdt de zilveren lijkwagen door het hek met directeur Pierre van Kooten achter het stuur. Hij stapt uit en opent de achterdeurtjes. De kist is van blank hout en er ligt een roos op met een kaartje eraan. Nadat de kist op een verrijdbare draagbaar is geschoven, stellen de twee dragers en uitvaartondernemers zich aan weerszijden op en dan lopen we langzaam naar het graf, Ruben en ik achter de kist. Al lopend proberen we het kaartje dat aan de roos zit te lezen.

‘Wat staat er?’, fluister ik.

‘Veel sterkte in deze moeilijke tijd’, fluistert Ruben terug, die betere ogen heeft.

Betekent dat dat er toch iemand was? Of is het de laatste groet vanuit het ziekenhuis? Het lijkt een tekst die gericht is aan de nabestaanden, maar die zijn er niet. De enigen die meneer van der Rijst naar zijn laatste rustplaats vergezellen, zijn de uitvaartondernemers en wij.

Even lijkt het erop dat er zich bij onze bescheiden stoet nog iemand aansluit. Een man van een jaar of vijftig volgt op enige afstand. Dan slaat hij op het laatste moment toch af naar een ander pad.

We balen. We hebben ergens het gevoel dat we meer hadden moeten doen. Meneer van der Rijst had dan misschien geen nabestaanden – geen kinderen of andere naaste familieleden – maar buren heeft iedereen. Misschien zijn er zelfs wel kennissen of vrienden die op dit moment niet op de hoogte zijn van zijn dood. Met een adres was het mogelijk geweest die mensen in te lichten en ze in staat te stellen afscheid te nemen. Met meer informatie was deze uitvaart wellicht niet eenzaam geweest. Het voelt kil. Wie heeft hier op dit moment iets aan privacybescherming?

Op het ‘armenveldje’ hebben de graven geen dekplaten of grafstenen. Op bordjes staan de namen, geboorte- en overlijdensdata. Het graf van Herman van der Rijst bevindt zich bijna achteraan. De dragers manoeuvreren de kist behendig boven de kuil. In de struiken stuiven mussen. Ronald van Overbeek geeft Ruben het teken dat hij zijn gedicht kan voordragen. Ruben legt een bosje paarse en roze bloemen op de kist en leest voor. Als zijn laatste woorden zijn weggestorven, klinkt alleen nog de wind in de beukenhaagjes en het getjilp van de mussen. We staan wat bedremmeld rond het graf waarin de kist langzaam wordt neergelaten.

Ik vraag naar de roos.

‘Die heeft hij van ons’, zegt Ronald van Overbeek. ‘Anders is het ook maar zo kaal.’

Hij verontschuldigt zich opnieuw voor de summiere informatie. Terwijl ook hij er niets aan kan doen dat we rondom de identiteit van meneer van der Rijst in het duister blijven tasten. Voor hem en voor Pierre van Kooten moet het ook triest zijn, zo’n eenzame uitvaart, bedenk ik. Gewoonlijk biedt een uitvaart troost aan de mensen die achterblijven, bewijst een begrafenis de overledene de laatste eer. Dat maakt hun vak mooi en waardevol. Een afscheid zonder nabestaanden… Dat is misschien wel het allerverdrietigste dat er bestaat.

We praten over wat we wel weten: de tatoeages.

‘Heel kleurrijk’, zegt Pierre van Kooten die het lichaam van meneer van der Rijst nog heeft gezien. ‘Heel mooi gedaan.’

Ik probeer me er een voorstelling van te maken: hoe meneer van der Rijst de tekeningen uitkoos om zijn lichaam mee te versieren. Elke tatoeage een herinnering aan iets dat voor hem belangrijk is geweest. ‘Wat voor tatoeages waren het?’ vraag ik.

Het spijt Pierre van Kooten, maar hij kan het me niet vertellen. ‘Ik heb ze in een oogopslag gezien’, zegt hij. ‘Ik zag dat ze kleurrijk waren en mooi van vorm. Maar ik heb ze niet uitgebreid bekeken. Dat voelt niet goed. Het is té persoonlijk. Te intiem.’

Ik denk aan de ironie van dit verhaal. Dat zeelieden vroeger tatoeages lieten zetten, onder andere om te kunnen worden geïdentificeerd na verdrinking. Meneer van der Rijst blijft een onbekende ondanks de hyperpersoonlijke tekens op zijn lijf. Van Kooten en Van Overbeek nemen afscheid. Ruben en ik nemen allebei een handje aarde en laten het zand in de kuil vallen. Doffe ploffen op de kist.

Een Atalanta fladdert boven het nog open graf. Die wordt ook wel admiraalvlinder genoemd, weet Ruben. Vanwege de rode strepen op de mouwen van de marine-uniformen.

Dorien Dijkhuis