Gedicht Eenzame uitvaart mevrouw Gijsbertha Adriana Johanna Daalhuisen
I.M. Gijsbertha Adriana Johanna Daalhuisen
Wat is een mierennest met mieren die als vreemden
voor elkaar zijn? De bovenbuur ruikt u hooguit en
belt de politie omdat de meterkast weinig goeds
belooft. De sterke arm doet zijn droeve taak en ziet
u in uw pyamajasje tegen de verwarming aan liggen
in uw eenpersoonsmierenhoopje met als enige vrienden
uw opklapbureau, uw postoel en uw rollator en niets
persoonlijks, niets wat wijst op wie of wat u was.
De politie wist het wel en noemde u een ‘zorgmijder’.
U zou dit gedicht vermoedelijk heel verschrikkelijk
vinden omdat het u tevoorschijn haalt. U wilde juist
wegkruipen en al uw sporen volkomen uitwissen.
Zelfs uw voornaam hebt u weten weg te moffelen.
U bent geboren in het eerste oorlogsjaar en kent nu
vijfentachtig mierenjaren later hopelijk vrede.
Jan van der Haar (gildemeester Utrechts Stadsdichtersgilde)
Verslag Eenzame uitvaart mevr. G.A.J. Daalhuisen, 27-05-1940 – december 2025
De bovenbuurvrouw trok aan de bel. Er trok een scherpe, hoogst onaangename geur – van beneden – door de meterkast. De politie deed de rest. Het heet een vinding.
Niemand weet hoe lang mevrouw Daalhuisen daar met haar rug tegen de verwarming heeft gezeten. Onderzoek komt uit op drie weken en noemt het een natuurlijke dood.
Een jaar geleden maakten buren zich zorgen omdat ze mevrouw Daalhuisen zo weinig zagen. De politie kende haar wel. Maar contact? De politie noemde haar een zorgmijder.
In haar huis is geen snipper informatie over familie, vrienden of kennissen gevonden. Zo wordt op dinsdag 30 december tot een Eenzame uitvaart op woensdag 31 december besloten.
Om half-tien draait de parelgrijze Tesla – speciaal ontworpen voor uitvaarten – de begraafplaats Sint Barbara op. Vier jonge mannen, in stemmig grijs, leggen de blankhouten kist op een praktisch karretje. Zo rolt de kist gemakkelijk naar het graf.
Uiteindelijk staan er vier mensen aan het graf. Twee dames namens de uitvaartondernemingen Sint Barbara en PCB en twee heren namens het Utrechts Stadsdichtersgilde. De dichter van dienst en zijn secondant voor dit verslag.
De jonge mannen trekken zich discreet terug. De dichter leest zijn gedicht en daarmee is de Eenzame uitvaart eigenlijk meteen ten einde. De kist zakt langzaam in het graf. Uit respect werpen de vier aanwezigen een schep zwarte aarde naast twee witte rozen op de kist.
De grijze lucht boven Utrecht biedt hier en daar een voorzichtige opening op wat zon. De vier praten nog wat na en nemen afscheid. De laatste dag van het jaar is vreemd begonnen Iedereen is verbaasd over het feit dat alleen sterven echt bestaat en hoe vreemd ook dat is. Eenzaam.
Fred Penninga (lid Utrechts Stadsdichtersgilde).