Eenzame uitvaart: gedicht Jan van der Haar – verslag Fred Penninga
Eenzame Uitvaart van dhr. Albert van Oostenbrugge, 1962-2025
De warme zomerzon, de vogels en de stad zijn allang wakker Bij het toegangshek van begraafplaats Sint Barbara staan vier studenten in gepast grijze jackets te wachten. Klokslag half-tien zwenkt de zilvergrijze Mercedes de begraafplaats op. Bij een dienstgebouw wordt de lelieblanke houten kist, met daar bovenop een langgerekt bloemstuk van witte rozen, op het karretje gezet.
Een wel heel kleine ‘stoet’ zet zich in beweging, richting het gedolven graf. Aan weerszijden van de kist twee grijze studenten. Direct achter de kist de man van de begraafplaats. Daarachter de chauffeur van de lijkwagen en de vrouw van Barbara Uitvaartverzorging. De rij wordt gesloten door de dichter en verslaggever van dienst namens het Utrechts Stadsdichtersgilde
Uiteindelijk gaat het bij het graf exact om één handvol aanwezigen. De studenten hebben zich discreet teruggetrokken. Het is stil. Wat te zeggen? De uitvaartonderneemster geeft het woord aan dichter Jan van der Haar. Hij leest het volgende – door hem geschreven – gedicht:
AL SPRAK IK DE TALEN VAN DE ENGELEN
Beste A., uw voornaam heeft de voorste letter in
het alfabet. Uw achternaam deelt u met diverse
naamgenoten. Sommigen van hen hebben het
ver geschopt, zoals de sterrenkok en de vasculair
neuroloog. U lijkt coulissen te hebben gekozen.
Heeft u ooit een baarmoederpaadje bewandeld?
Zo zou ik u nog heel veel vragen kunnen stellen.
Want uw leven is een onontdekt meesterwerk
dat moest eindigen in bedorven eenzaamheid.
Nu kijken we nog als in een wazige spiegel,
maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn
kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig
kennen, zoals ik zelf gekend ben. Ons resten
geloof, hoop en liefde; deze drie, maar de grootste
daarvan is de liefde. En u fluistert: Jaag die na. . .
Jan van der Haar
Het gedicht wordt opgeborgen in het borstzakje van het overhemd van de dichter. De man van de begraafplaats vertelt waar dat Geloof, hoop en liefde vandaan komt (de Bijbel) en verricht de technische handelingen die de kist diep in de grond doen zakken. Het door de uitvaartonderneming meegegeven bloemstuk ligt nog op de rand van de groeve. Op initiatief van de uitvaartonderneemster neemt iedereen daar een witte roos uit en werpt die op de kist, daarna een schepje zand. Tot zover de ceremonie. De aanwezigen gaan nog even met elkaar in gesprek. Over hoe droevig het is dat er niemand uit de persoonlijke omgeving van de overledene aanwezig is. Dan moet toch ook het recente leven al erg eenzaam zijn geweest? Een Eenzame Uitvaart brengt dat schrijnend aan het licht. Om 10.00 uur fietsen dichter en verslagschrijver van de zonovergoten begraafplaats.
Er komt een naambordje bij het graf met de tekst: Albert van Oostenbrugge, Soest 30-9-1962 – Utrecht 3-6-2025, In dierbare herinnering.
Wat verder nog bekend is van Albert van Oostenbrugge. Na een langere tijd van dakloosheid vond hij onderdak in Lunetten en woonde daar zo’n zes jaar op Hondsrug. Hij bouwde er een sociaal leven op en deed wat vrijwilligerswerk. Dat is wel heel summiere informatie, maar meer karakteristieks kon er niet worden achterhaald. Dat hij moge rusten in vrede; het herinneren kan beginnen.
Fred Penninga
