Stadsgedicht Jan van der Haar

De savante van Utrecht

10 december 2024 kreeg ze een tegel
als eerbetoon. Geheel verdiend toch?
Ze tekende, schreef en zoop geweldig.
Dat is ons niet onopgemerkt gebleven.

Mij beval ze, met haar feestelijk verval,
ruïnes, gek genoeg engelen, oorlogen
en hun legerleider held Napoleon aan:
Je moet hard worden, snerpte Dirkje,

die me wederom haar klare wijn schonk.

Eenzame Uitvaart, Jan van der Haar

Dhr. Hla Aung, van Pa’an naar Utrech

Op 13 januari 1952 zag u het licht in Pa’an,
een provinciestadje in zuidoost Birma, nu
Myanmar: aan de andere kant van de wereld.
Met recht ‘een verborgen kleinood’ te noemen.
U herinnert zich nog wel de Mount Zuegabin,
de Mount Tang Wine. De kathedraal in uw stad
was de Kyauk Ka Lat Pagoda waar de heilige
haarrelikwie van Boeddha wordt bewaard.
Bij uw geboorte was Aung San Suu Kyi zeven jaar.
Ze zou in 1991 de Nobelprijs voor de Vrede krijgen
om haar strijd voor de mensenrechten en die tegen
de junta in Myanmar. Bent u er destijds voor gevlucht?
U bent in Utrecht terechtgekomen en hebt er een flat
betrokken aan de Vulcanusdreef, een klein appartement
dat op de hoogte is van de laatste jaren van uw leven.
Was u praktiserend boeddhist? Ging u naar de Tempel
van Groot Mededogen? Hebt u er troost gevonden?
Op 20 oktober 2024 sloot u alhier voorgoed uw ogen,
van alles, iedereen, familie, vrienden, kennissen verlaten.
Wij weten bijna niets van u en van uw eenzaamheid.
Wij wensen u de eeuwige vrede.

Jan van der Haar

 

Verslag Eenzame uitvaart van Dhr. Hla Aung

 

De vraag om een gedicht bij de waarschijnlijk eenzame uitvaart van dhr. Hla Aung komt op donderdag. Best laat, want vrijdag is de begrafenis al. Stadsdichter Jan van der Haar probeert informatie over meneer Aung te bemachtigen, maar dat is nog niet zo eenvoudig. Welbeschouwd is er nauwelijks iets bekend. Zou meneer Hla Aung uit Azië komen?

En dan slaat Jan het juiste internet-pad in. Tot zijn verrassing vindt hij snippers informatie over meneer Hla Aung, diens land van herkomst, geboren in 1952.. . in Azië.

Eenmaal op dat spoor komt Jan tot zijn bijzonder gedicht. Over een overleden individu, een vluchteling, al eenzaam tijdens zijn leven.

Tegen de achtergrond van zijn zoektocht naar gerechtigheid en vrede. Niet toevallig het laatste woord van het gedicht.

De zon schijnt al wel, maar het is een frisse vrijdagmorgen op begraafplaats St. Barbara. Windstil onder een strakke hemelsblauwe lucht.

Rond kwart over negen komt er een groepje van vier mensen door de poort. Onmiskenbaar mensen uit Azië. We houden gepaste afstand. Respect. Het zijn mensen uit de kleine gemeenschap vluchtelingen uit Myanmar in Nederland. Ze streamen met hun mobieltjes de eenzame uitvaart van hun landgenoot. Er is familie, in Myanmar. Er zijn kinderen, in het buitenland. Een gesprek zit er niet echt in; de mensen in het groepje spreken geen Nederlands.

Klokslag half-tien draait de lijkauto de begraafplaats op. De zilverkleurige Mercedes

is vervangen door een witte Tesla. Er zijn twee mensen namens St. Barbara, iemand van het buurtteam Overvecht, de vier landgenoten die alles streamen. De dichter van dienst en zijn secondant, voor het verslag. Zo ziet eenzaamheid eruit. Jan haalt het papier met zijn gedicht erop tevoorschijn en leest het bij het wachtend graf. Er staat al  veel informatie in het gedicht. Dat moet voor zichzelf spreken en hoeft niet te worden herhaald in dit verslag. De blankhouten kist zakt langzaam weg. Dichter en secondant werpen elk een zonnebloem na. . .

Om kwart-voor-tien is de ceremonie voorbij. Om tien uur ligt de begraafplaats er stil en verlaten bij. Wie herinnert zich straks de eenzame uitvaart van Hla Aung, uit Myanmar? De zon staat hoger nu en schijnt volop. Het wordt een warme dag.

Fred Penninga

 

 

 

Eenzame Uitvaart van mevr. Zoja Svobodová 1946-202

12 april 2024, St. Barbara, Utrecht

Dichter van dienst: Jan van der Haar
Verslag: Fred Penninga

 

Zoja Svobodová (1946 – 2024)

De liefde heeft u uit Slowakije gehaald.
U tekende en vertelde verhalen, zegt Google,
In 2000 publiceerde u de mythe van Narcissus
in Doe open Zimzim, verhalen en liedjes uit
de Utrechtse wijk Lombok. U hebt het voorgelezen
op 26 maart 2000 op een zondagse vertelmiddag
in houtzaagmolen ‘De ster’. Te horen is uw stem:
‘Narcissus was heel erg bang voor mensen, hij was
mensenschuw, hij vertrouwde niemand. Hij was
het liefst alleen. Mensen die waren niet te vertrouwen.
Mensen hoefde hij niet.’ Toch was hij niet arrogant.
Maar een nimf die verliefd op hem werd liet hij wachten
en smachten. Ze kwijnde weg. Alleen haar stem bleef over:
‘Echo… echo…’ Voor straf liet Aphrodite toen Narcissus
op zichzelf verliefd worden: hij verdronk letterlijk in
zijn spiegelbeeld en verdween zoals de nimf. Een plechtige
begrafenis was niet mogelijk. Bij de bron vonden ze alleen
‘een prachtige gele bloem met een lange sierlijke steel:
een zonnegele bloem met een hartje – de narcis’.

 

 

VERSLAG

Eenzaam maar niet alleen

Voorzichtig zet een nieuwe dag de eerste stappen. Er is al licht, maar nog niet helder. Lichtgrijs. Op Begraafplaats St. Barbara is er een groepje mensen voor de uitvaart van mevrouw Zoja Svobodová. Klokslag 9.30 uur arriveert de Mercedes met de overledene in de blankhouten kist.

Er is niemand gevonden die haar uitvaart had kunnen organiseren en financieren. Dan nemen de Gemeente Utrecht en St. Barbara Uitvaartzorg die taak op zich, onder de naam Eenzame Uitvaart. Aanwezig zijn: twee mensen van St. Barbara Uitvaartzorg; de onderbuurman van mevrouw, met bloemstuk; een medewerker van het Buurtteam; de dichter van dienst, Jan van der Haar en de schrijver van dit verslag Fred Penninga en nog drie mannen. De ex-partner van mevrouw Svobodová, diep vorige eeuw gescheiden (1984), een vriend en een wederzijdse kennis. Zó bijzonder.

Google mevrouw Zoja Svobodová

Ze kwam uit wat nu Slowakije heet voor de liefde naar Nederland. Die liefde bleek niet eeuwigheid-proof, maar aan Nederland bleef ze stevig verbonden. En er is meer. Wie op Google naar haar op zoek gaat, wordt verrast. Om te beginnen is ze daar bekend, met publicatie! Er staan wapenfeiten en teksten van haar hand op internet! Het lijkt een goudader in de zoektocht naar informatie. Mevrouw moet belangstelling hebben gehad voor cultuur en dan vooral voor de literatuur. Haar publicatie en optreden met de Griekse mythe over Aphrodite en Narcissus spreken boekdelen (zie het gedicht). Zij is daarmee aanwezig geweest in het ‘cultureel circuit’, maar dat moet al enige tijd geleden ‘minder’ zijn geworden.                                                               Ze leefde wat teruggetrokken en maakte weinig contact op haar flat in de Louis Couperusstraat in Utrecht-West. ‘We zeiden elkaar goedemorgen, goedemiddag, goedenavond. Dat was het wel. Ik heb haar kat geadopteerd en dat gaat heel goed,’ zegt de onderbuurman.

Het gedicht

De openingszin is meteen al poëtisch: De liefde heeft u uit Slowakije gehaald. De verdere tekst leunt sterk op de informatie op internet over mevr. Zoja Svobodová. Het gedicht houdt haar een spiegel voor en vraagt: ‘Vindt u ook niet dat u bent gaan lijken op Narcissus? Was het niet voorbestemd dat de mythe van Aphrodite en Narcissus als leidraad voor uw latere leven zou dienen?’ Niemand gaat antwoord op die vraag geven; maar de vraag opwerpen, is al verrassend. Dat doen dichters nu eenmaal. Zo wordt het laatste deel van haar leven poëzie. Niet van het meest opgewekte soort misschien, maar in helder licht.

En bij het verlaten van de begraafplaats sloot de natuur zich daarbij aan. Even brak de zon door. Voor het eerst die ochtend, bijna schuchter.

Eenzame Uitvaart van dhr. P. Bolwijn, 1952 – 2024

26 februari 2024, St. Barbara, Utrecht

Dichter van dienst: Jan van der Haar
Verslag: Fred Penninga

 

Peter Bolwijn (1952 – 2024)

Hij trok zich terug en het applaus ontbrak.
Met de buren was het dag en daar bleef
het bij. Meer contact was er met de wekker.
Die kon hij ten minste naar zijn hand zetten.

Zijn koopflat heette bastion, zijn binnen.
Hij vette binnen als een heremiet.
Maar ook buiten mocht er zijn, op de fiets,
gezel met longen vol van verse lucht.

Hij hield van buitenlucht, die was beheersbaar.
Hij kende Houten, Maarssen, Groenekan.
Mensen niet maar oorden wist hij te plaatsen.
Zijn zelfkennis zullen we nooit meekrijgen.

 

 

VERSLAG

Het weer is typisch uitvaartweer. Diepgrijze lucht, wat spetjes regen, een straf briesje en daardoor een lage gevoelstemperatuur. Klokslag 9.30 uur rijdt de zilveren Mercedes door de poort van Begraafplaats St. Barbara. In de auto bevindt zich de blankhouten kist met de overledene, dhr. Peter Bolwijn.

Er is niemand gevonden die de uitvaart van de heer Bolwijn had kunnen organiseren. Dan nemen de Gemeente Utrecht en St. Barbara Uitvaartzorg die taak op zich. Dat gebeurt onder de naam Eenzame Uitvaart en in dit geval is het dat ook: een eenzame uitvaart. Uiteindelijk staat aan het vers gegraven graf slechts ‘n handvol aanwezigen. Twee mensen vanuit St. Barbara Uitvaartzorg; de chauffeur van de Mercedes en namens het Utrechts Stadsdichtersgilde de dichter-van-dienst Jan van der Haar en diens secondant/schrijver-van-dit-verslag Fred Penninga. Op de kist ligt een bloemstuk van de Vereniging Van Eigenaren, De Sprong, daar was dhr. Bolwijn – als eigenaar van zijn appartement – verplicht lid van. De tekst op het witte lint luidt Met oprechte deelneming.

Wie was Peter Bolwijn?
Daar is niet veel over bekend. Als er geen informanten of nabestaanden zijn en het overlijden valt vlak voor het weekend dan ontbreken mogelijkheden én tijd om wat uitgebreider op zoek te gaan naar bruikbare informatie. Daar weet Anne Broeksma wel raad op. Samen met Alexis de Roode regelt zij binnen het stadsdichtersgilde de coördinatie van de Eenzame Uitvaart.

Ze springt op de fiets, rijdt naar het appartementencomplex in Hoograven en krijgt uiteindelijk met drie buurmannen vluchtig contact. Alle drie (voormalig) bestuursleden van VVE De Sprong. Samen schetsen zij een voorzichtig beeld van dhr. Bolwijn. Hij woonde – zo lijkt het – als een typische kluizenaar, sinds november 1995, een teruggetrokken bestaan in zijn appartement. Zei ‘goedemorgen’ en ‘dag’. Dat was het. Hij kreeg ook nooit bezoek en tussen de VVE en dhr. Bolwijn was er geen correspondentie, zelfs niet via de mail. Wel was nog bekend dat dhr. Bolwijn regelmatig fietstochten maakte in wijde bogen rond Utrecht. In zijn eentje, waarschijnlijk.

Het gedicht
Het vraagt heel wat creativiteit om op basis van zo weinig informatie een passend gedicht te componeren. En dan was er nog de tijdsdruk. Maandagmorgen, 26 februari, 9.45 uur, heeft de dichter-van-dienst, Jan van der Haar, zijn gedicht bij het nog open graf van Peter Bolwijn voorgelezen. Mooi beeld, kort van stof en zo dicht mogelijk bij de overledene neergezet. Dat hij ruste in vrede.

Bij het napraten sprongen twee denklijnen in het oog. Verwondering over het feit dat iemand zo afgezonderd van alles en iedereen kan leven, althans daar leek het op. En uiteindelijk ook sterven. Tegenover de gedachte dat iemand daar heel overtuigd en vasthoudend voor kan kiezen, met een eenzame uitvaart tot gevolg. Bij het verlaten van de begraafplaats was er nog geen kiertje waar wat licht doorheen scheen.

 

Stadsgedicht Onno Kosters

In 2012 moest de Jeremiebrug, de ophaalbrug die honderd jaar lang over de Kruisvaart lag, het veld ruimen i.v.m. de bouw van Station Vaartsche Rijn. De brug werd geadopteerd door de Stichting Máximapark en kreeg een plaats in het park, waar hij nu over de Alendorper Wetering ligt. De twee elkaar als brugdelen spiegelende gedichten zijn in 2020 geschreven in opdracht van Stichting Máximapark en de Gemeente Utrecht. Ze werden in Cortenstaal vormgegeven door Richard Draaijer en geplaatst bij Station Vaartsche Rijn en bij de Jeremiebrug in het Máximapark.


Over de Jeremiebrug

‘De Kruisvaart hier stak ik, mij langzaam openend
of gesloten, een eeuwlang over, onwetend
van de Alendorper Vikingrijn, waar ik alleen
van dromen kon: een okergeel
en zwarte droom, dat kon geen toekomst zijn.

Jeremias du Chemin raakte opgejaagd verzeild
aan de kale Westerkade en opende zijn herberg, sloeg
tussen vreemd en eigen, nieuw en oud mij: brug.
Voelde zich welkom in de stad en werd van vluchteling
medeburger: vond hier zichzelf voorgoed terug.’


De Jeremiebrug over

‘Ik ben van Jeremias’ herberg weggeraakt,
één landhoofd is verzeild hier in de Esdoornlaan.
Ik ben een monument geworden, mijn bestaan
slaat tussen oud en nieuw en vreemd en eigen: mij.
Brug waarin een welkom zit verborgen.

Hier kruis ik na een eeuw, open of mij langzaam
sluitend, de Alendorper Vikingrijn, die onder mij
de plaats van de kades verklinkende Kruisvaart innam.
Ik droom ervan als niemand kijkt, een droom
in zwart en okergeel die werkelijk lijkt.’

Bron: https://www.routesinutrecht.nl/locaties/3377874737/jeremiebrug

Stadsgedicht Jan van der Haar

Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van winkelcentrum Hoog Catharijne
(1973-2023) in Utrecht schreef Jan van der Haar eind 2023 onderstaand stadsgedicht:

Hoog Catharijne: 1973 – 2023

Hoog Catharijne lijkt een hippe meid van vijftig
jaar oud. Ze had aanvankelijk een verwoestende
uitwerking op haar omgeving, maar heeft die later
meer dan goed gemaakt. Ze straalt en is van alle
markten thuis als een gelifte winkeldochter – was
het grootste overdekte shoppingcenter van Europa.

Tienduizenden bezoekers onthaalt ze per dag, alleen
al omdat Utrecht Centraal als een herdershond naast
haar ligt. Maar dat Eden kende ook een twistappel:
in een tunnel klonterden koopgrage lieden bij elkaar
om te dealen met spuiten, sneeuw en halfjes bruin.
Hoog Catharijne put uit haar make-updoos. Taxi’s

wachten naast de grootste fietsenstalling van Europa.
HC verbeeldt ons oude continent aan de Mariaplaats.
Wij wensen haar over 50 jaar een mooi eeuwfeest toe!

Jan van der Haar

Eenzame Uitvaart van mevrouw A. van Tiggelen, 16 juni 1953 – 6 januari 2024

11 januari 2024, St. Barbara, Utrecht

 

Dichter van dienst: Alexis de Roode
Verslag: Anne Broeksma / Alexis de Roode

 

Niet alleen

In memoriam Ati van Tiggelen (1953-2024)

Weinigen die alleen de aarde in gaan,
hebben haar alleen bewandeld.

Gestorven is geborgen, heen is compleet.
Voor wie is een Uitvaart Eenzaam?

Niet voor Ati die haar lichaam verliet.
Daarvóór was haar leven vol mensen.

Eenzaam? Wie weet. Ze had een vriend,
een flat vol buren, een kerk vol wensen.

En familie? Daarover zwijgen we, zoals zij.
In de gang stonden Maria en Jozef haar bij.

Niemand kent de erkers van het hart
zo goed als de heiligen, in wie ze geloofde.

Nadat het licht in haar ogen doofde,
had ze vast liever een gebed dan een gedicht gehad.

 

VERSLAG

Met twee witte rozen lopen we begraafplaats St. Barbara op. Het is half tien en het vriest. Strakblauwe lucht, de winterzon neemt weinig kou weg. Twee dames van middelbare leeftijd staan warm ingepakt in de buurt van het hek. Toch nog. Nichtjes. Ze horen bij een 80-jarige halfzus en haar man die ook aanwezig zijn. Met elkaar, een groepje van vijf, zijn ze de enige familieleden die Ati van Tiggelen, op 70-jarige leeftijd plotseling in de nacht overleden, nog had. Ze hadden haar al tientallen jaren niet meer gesproken of gezien. Toch zijn ze vanochtend om zeven uur in de auto gestapt, in Roosendaal, om hier op tijd in de kou te staan en Ati een laatste eer te bewijzen.

Op 8 januari krijgen we bericht van de gemeente, maar na bellen met de uitvaartonderneming weten we nog nauwelijks iets. Mevrouw Van Tiggelen belde om 1 uur ’s nachts de huisartsenpost (pijn in haar buik, horen we later) maar die kwam te laat – waarschijnlijk was er niks aan te doen geweest. De politie heeft de deur geopend en haar gevonden. Naast de halfzus in Roosendaal zijn er geen nabestaanden bekend. Wat we wel hebben is een adres, dus bellen we aan bij de buren in een appartementencomplex in Transwijk. Van anonieme zeventigjarige vrouw verandert Ati ineens in een mens, een verhaal: stevig gebouwd was ze, met kort grijs haar, netjes, sociaal en de hele dag in de weer met het christelijk geloof. Dagelijks ging ze naar de hoogmis, bij verschillende kerken. Soms zat ze uren te bidden bij het klooster Cenakel in Zuilen, bij de zusters van de Eeuwigdurende Aanbidding, die elkaar dag en nacht afwisselen in een gebed dat geen seconde stilvalt.

We horen dat via haar Surinaamse buurman. Hij was nog bij het klooster gaan kijken, of zij iets wisten. Hij kende haar goed en als hij zich per ongeluk had buitengesloten mocht hij altijd via haar huis naar het balkon om weer binnen te komen. Een andere buurman, Abdel, sprak haar ook regelmatig. Mevrouw Van Tiggelen rookte shag, meestal binnen, maar ook wel met Abdel op de galerij. In coronatijd heeft hij haar een keer geknipt met de tondeuse en ook hielp hij met technische klusjes, zoals het instellen van de tv-kanalen. Zij gaf zijn kinderen snoepjes of speelgoed, bracht een kaartje met Kerst langs. Hij is aangedaan door het nieuws.

Via de buurman horen we dat ze een vriend had, in Lombok, en krijgen zijn nummer. De vriend blijkt op de hoogte, hij heeft het die ochtend van de politie gehoord. Via de telefoon laat hij weten dat ze elke dag met elkaar belden. Alleen het gespreksonderwerp ‘familie’ was taboe. Al twintig jaar gingen ze met elkaar om, al was het meer een vriendschap dan een liefdesrelatie. Naar de uitvaart kan hij niet komen, hij is 76 en durft het niet goed aan met zijn gezondheid. Hij weet het nieuws ook nog maar één dag.

De jonge Ati werkte vanaf haar achtiende tot haar zesendertigste in de verpleging, tot ze genoeg kreeg van de nachtdiensten. Sindsdien had ze een uitkering en stonden haar dagen vooral in het teken van geloof: radio- en tv-programma’s, bidden in kloosters en kerken. Ze hield ook van fietsen en maakte in de zomer lange tochten in haar eentje. Bovendien werkte ze als vrijwilligster in een hospice. Haar vriend en de buren hadden wel gemerkt dat ze zich de afgelopen maanden wat meer terugtrok, iets geslotener was.

De begrafenisauto is gearriveerd en we kijken toe hoe de blankhouten kist op een baar met wieltjes wordt gezet. De oudere halfzus en haar man zijn drie keer in Lourdes geweest, en nu hebben ze een gedicht uit uit Lourdes voor Ati meegenomen. We spreken af dat de dichter eerst gaat, en dat zij afsluiten. Een nicht zal het voorlezen.

Met koude handen ondanks de handschoenen lopen we als klein groepje achter de kist aan, naar het gemeentelijke veld. Een snip vliegt voor de zon langs, en dat in de stad. Alexis leest zijn gedicht en eindigt met het Onze Vader, omdat Ati vast liever een gebed had dan een gedicht. Dan volgt het gedicht uit Lourdes, ook een soort gebed. Het metalen kruisje dat op de kist ligt, mag de halfzus meenemen. Zo is het goed. Wat schepjes aarde en samen met de bloemen uit Roosendaal en onze witte rozen daalt de kist in bevroren grond. Het kleine gezelschap rijdt terug naar het zuiden. We passeren de poort, de dag begint.

Stadsgedicht Alexis de Roode

Na vele jaren getouwtrek komt er nu toch een gebouw in Utrecht dat de competitie met de Dom wil aangaan: de 140 meter hoger woontoren MARK, van consortium KEES. Het complex bestaat uit drie flats en wat laagbouw en komt te staan in Leidsche Rijn. Alexis de Roode vindt het maar niks en schreef er een hekeldicht over dat ook in DUIC werd gepubliceerd.

 

Gebouw MARK. Van consortium KEES.

Aan de rand van de stad
komt nu een flat van 140 meter hoog,
die MARK moet heten. Zeker een hommage
aan het geestelijk gat dat dertien jaar ons land opvrat?

Na vier letters was de visie op.
MARK. Van KEES. LEEG. Een 140 meter hoge rekensom.
Een stapel bankbiljetten hoger dan de Dom.
Kees zette de computer aan en overwon.

Daar moet Utrecht straks trots op zijn:
betonplaten op elkaar stapelen,
dertig meter hoger dan het ragfijn staketsel van de Dom.
Zoveel zijn we opgeschoten in 640 jaar.

Indertijd bouwden we kathedralen,
singels, grachten van tijdloze schoonheid,
waarin de werkmanshand een ziel aanbracht.
Nu regeert het machinale.

Als je hoger dan de Dom wilt gaan,
doe dan iets wat er qua klasse naast kan staan.
Maar we krijgen drie flats op een rijtje.
Een goddeloos drie-eenheidje.

Dat moet dan “iconisch” heten.
Doen alsof het groen is bovenop
met een afgedankte kas, bomen in potten
en varens die langzaam de aarde vergeten.

De Dom, in diepe rouw,
kijkt straks uit op een 3D-geprint gebouw,
door en voor robots:
het Graf van de Onbekende Architect.

(Door computers werd hij genekt.)
Over Leidsche Rijn trekt een betonnen mist.
Ooit was bouwkunst kunst.
De Dom kijkt naar zijn kist.

 

Alexis de Roode

Project OurStories

Tussen 2017 en 2023 heeft het Gilde meegewerkt aan het project OurStories van Stichting AllOne. Hierbij zijn o.a. gedichten gemaakt op basis van verhalen van vluchtelingen en wijkbewoners. Er is een expositie “Gedachten lezen” met gedichten op borden gemaakt die jaren heeft rondgereisd. Met gedichten van:

  • Els van Stalborch
  • Fred Penninga
  • Baban Kirkuki

De resultaten zijn hier op video te bekijken.

 

Stadsgedicht Els van Stalborch

Els van Stalborch maakte een stadsgedicht voor Stichting Troost en Stichting  Humanitas, rond het thema “Rouw en Vieren”. Haar gedicht werd op een poster gedrukt en was twee weken op een expo op het Domplein te zien. Zie hieronder de poster en het gedicht:

Wat is het toch
dat rouw zo eenzaam maakt
en moeizaam samen,
je hart staat op een kier
en niet gezien,
woorden hangen als
verdroogde bloemen
aan een lint, mengen zich
met liefde en met pijn.

Wat is het toch
dat dromen soms zo wakker zijn ,
verschoten beelden striemen
als kiezels in je mond,
het kaarsje dat je brandt
een stille vraag naar hoe,
een hand was geen land
om in te wonen,
er is geen weg terug.

Wat is het toch
dat liefde en gemis als vleugels
zijn en gaatjes prikken in je rug,
soms vlieg je naar de zon,
soms val je diep, soms
zingt een vogel de stilte
open en kun je vieren
wat is geweest en
wat nog is.

Els van Stalborch