Van 25 juni 2016 t/m 2 oktober 2016 huisvestte het Centraal Museum te Utrecht een expositie over de Domtoren onder de naam TROTS VAN DE STAD. Els van Stalborch schreef onderstaand stadsgedicht ter gelegenheid van de opening van de deze expositie.
Domtoren
Ik heb de kanten kraag van de toren lief,
de ragfijn geweven steen van zijn spitse
bogen, pinakeltjes en klokkenstoel.
Als ik mijn hand te horen leg voel ik
de eeuwen stromen en zijn verhaal
dat niet te drogen is.
Ik heb het spel van zijn klokken lief,
die het razende ritme van de stad
nog overstemt en even stilt.
Als ik mijn oor te tasten leg tegen
zijn huid vervloei ik met de klank
van het verleden.
Ik heb zijn achthoekige lantaarn lief,
die alle ruimte laat voor licht, dat
het Domplein niet meer bereikt.
Als ik mijn oog naar boven draag
hoor ik hoe het heden langzaam
zwijgt en niets.
Ik heb zijn leien kroontje lief,
dat nauwelijks nog naar de hemel
wijst, een afdak voor de wind.
Als ik mijn hoofd te waaien leg
zie ik een kleurig vergezicht
dat heel dichtbij.
Op zondag 4 september om 16 uur werden de Utrechtse deelnemers aan de Olympische Spelen van 2016 gehuldigd bij het Stadhuis, met o.a. Giel Beelen en burgemeester Jan van Zanen. Dafne Schippers (zilver 200 m), Inge Janssen (zilver dubbelvier), Laurien Leurink (zilver hockey) en Monica Lanz (vrouwen acht) waren aanwezig. Bij afwezigheid werden ook Harold Langen (roeien), Kaj Hendriks (roeien), Claudia Belderbos (roeien), Robbert Kemperman (hockey) en Sander de Wijn (hockey) geëerd. Alexis de Roode las het volgende gedicht voor:
Utrecht op de Olympus
Een goddelijke quadriceps femoris,
een gluteus maximus om voor te knielen,
benen waarmee je een tempel kunt stutten,
een reactievermogen om met bliksem te eren,
bovennatuurlijk synchroon getrokken riemen,
samenspel dat echoot in de harmonie der sferen,
het is mooier dan metaal. Metaal is maar materie,
maar een mens die meester wordt over het bewegen
van lichaam en geest
is een alchemist die zichzelf verandert in goud.
Hij heeft van ruwe steen een tempel gebouwd
en is op vleugels de materie ontstegen.
En waar het maanstof en zonnestof
uiteindelijk neerdwarrelt
is een kwestie van godengunst.
Het spreekt voor de kranten
maar het spreekt niet voor alle jaren van toewijding,
voor de grenzen verlegd in het lijf,
het spreekt niet voor alle offers,
het spreekt niet voor de ziel.
Ver weg van hier, op de top van de Olympus
ligt een heel klein stukje van deze stad.
Daar spreken Hera en Zeus een woordje plat
en de Utrechters die daar mogen wonen,
het zijn er maar een paar:
een gezwinde blonde hinde,
de volmaakt synchrone meesters op het water
de magiërs van stok en bal en samenspel,
zij zijn het ware goud van deze stad.
En hier beneden strekte de Dom zijn leden
om iets te zien van wat jullie daar deden,
en het Stadskantoor op zijn betonnen benen,
en iedereen die in gedachte mee ging
sprong een eindje in de lucht van vreugde
bij elke grote en kleine overwinning,
bij elke volmaakte beweging.
Eind 2015 schreef gildemeester Alexis de Roode een stadsgedicht voor het gemeentelijke trouwboekje. Op 13 mei 2016 is dat officieel gepresenteerd bij de bruiloft van de zoon van Pieti Kuipers, de secretaris van het bestuur van het Utrechts Stadsdichtersgilde (voor een verslag zie hier). Het gedicht is gedrukt op een doorzichtig inlegvel, dat meegeniet wordt bij het inbinden van het boekje, zodanig dat het woord „Trouwboekje” op de titelpagina van het boekje doorschijnt en de titel van het gedicht vormt. De titel kan dan ook „Partnerschapsboekje” luiden want ook bij een geregistreerd partnerschap kan je een boekje krijgen.
Tot noch toe stond er nooit een gedicht in het trouwboekje, alleen dorre ambtelijke taal over wat te doen bij overlijden en dat soort zware zaken. Vanaf nu wordt ook de liefde bezongen in het trouwboekje.
Donderdag 7 april las Alexis de Roode een nieuw stadsgedicht voor over de verbouwing van het Jaarbeursplein, bij de plaatsing van 50 schitterende levende Groene Poëziehekken van de Utrechtse Green Business Club, ontworpen door De Plantenfabriek en Demeneer. Op de hekken zullen de komende tijd dichtregels van het Gilde te lezen zijn.
Jaarbeursplein
Er groeit iets op het Jaarbeursplein,
en ik hoop dat het iets groens zal zijn,
zoals de bouwhekken langs de rand,
gemaakt door natuur en mensenhand
daarín en -omheen is het nog desolaat
stenen staan op en licht breekt de straat
en machines breken de Leeuwensteyn af
een mooie naam – voor een gebouw als een graf,
een zerk van beton, een zielloos object
gemaakt door een copy paste architect.
De eerste Jaarbeurs begon ooit zo fraai
in 1917, bij oorlogslawaai,
in de oude Fruithal en Korenbeurs,
de vapeurs, primeurs, seigneurs, claqueurs!
Twee gebouwen als taarten in laagjes, maar sterk,
met koepels, pilaren en siermetselwerk,
de ramen in bogen en lijstjes verschanst,
als ogen met wenkbrauw en wimpers omkranst,
die zinnelijke blik, ze verdween tot mijn spijt
in de vaart der volkeren en eisen der tijd,
vervangen door panden als vleesloos bot,
de metselaars door prefab, elk leven beknot,
en tegen 2000, na een eeuw ongeveer,
was het Jaarbeursplein nog weinig meer
dan de lelijkste bushalte van de stad,
een asfaltplak die vol oliesmeer zat.
Maar hoera! Weg is dat Leeuwen-karkas.
op het plein verschijnen straks bomen en gras,
met flaneurs die picknicken, wat hangen in ’t rond
hoe heerlijk nietwaar, al dat groen op de grond,
ik mag toch die plaatjes, maquettes geloven?
Maar wacht even, richt ik de blik wat naar boven
waar ik hoop dat het levend en groen zal zijn,
dan zie ik een soort industrieterrein,
en waar die zerk verdween, de Leeuwesteyn
komt iets wat vast een vergissing moet zijn,
want je gaat toch geen 8-hoog monster pletten
om een 18-hoog monster terug te zetten?
Een zwarte parkeergarage, naam: WTC.
Leeuwesteyn had ten minste zijn naam nog mee.
In een diepzwarte schaduw gaat straks teloor
de Taj Mahal van ons stadskantoor.
En was dat nu alles, maar nee, nee auw,
daarnaast komt het Jaarbeurspleingebouw,
een liefdeloos blok van copy paste,
een gebouw van ontwerpbureau Eindegeest,
Waar zijn de daktuinen en groene gevels?
Waar in de hoogte zweven levensnevels,
waar is de stadslandbouw en menselijke maat?
Waarschijnlijk van binnen? Ik wil het op straat!
Het plein wordt heus mooi, bus en auto verdween,
het water stroomt weer door de singels heen,
laat de hekken met groen dan een voorbeeld zijn
voor de bouwers der stad en het groeiende plein,
Urban farming en gardening, een eetbare stad,
bij “Healthy Urban Living” verwacht je dat.
Maak het plein zo tot een modern paradijs
als de Jaarbeurs zijn eerste eeuw opeist.
Er groeit iets moois op het Jaarbeursplein,
en ik hoop dat het iets groens zal zijn,
geen bouwput maar wensbron, een dromenland,
een groeiend groen hart voor Nederland.
Alexis de Roode, 7 april 2016
7 april 2016: de restjes van Leeuwensteyn worden afgebroken tegen de achtergrond van het Stadskantoor.Dit is het ontwerp voor het nieuwe WTC-gebouw.
Stadsgedicht geschreven door Alexis de Roode ter gelegenheid van het 380-jarig bestaan van de Universiteit Utrecht, die in 1636 ontstond uit de Illustere School van de gereformeerde theoloog Gisbertus Voetius, onder de zinspreuk “Sol iustitia illustra nos” (“Zon der gerechtigheid, verlicht ons”). Het gedicht werd voorgelezen in het Paushuize te Utrecht op 2 april 2016.
Sol iustitia
Sommige kennis is zo oud als een mens.
Sommige mensen zijn zo oud als een boom.
Sommige eiken zijn zo oud als een universiteit.
Ik ken een eik waarvan de wortels
archeologisch onderzoek doen in lagen
die werden gevoed met heksenbloed
en zwarte Bijbelbladzijden, wortels
verstrengeld met het geraamte van Voet,
die vocht tegen Copernicus en Spinoza,
een man die dans en toneel bestreed
en de helderste geesten van zijn tijd,
onder een Bijbelse zon van gerechtigheid,
en op die harde en droge grond
groeide een brede, dragende stam
naar het licht van een nieuwe zon
die een ster bleek, niet van gerechtigheid
maar van kernfusie, een stofje in het universum,
de nieuwe natuurkundige eeuwigheid,
en de aarde een stofje om een stofje heen,
en gerechtigheid een mislukte droom,
maar de zon zal stralend opgaan
met geneeskracht onder haar vleugels.
Huppelend als kalveren uit de stal
zullen wij naar buiten komen,
om te knabbelen aan de groene scheuten
van waarheid, dans en toneel,
de groeiende eik van de universiteit,
die niet opgeeft, maar reikt, en reikt, en reikt.
Op zaterdag 23 januari 2016 hield de Utrechts Openbare Bibliotheek een open dag in het voormalig Postkantoor aan het Neude. Het Postkantoor is de beoogde locatie voor de nieuwe bibliotheek.
BIBLIOTHEEK – VISIOEN
Heel Utrecht heeft een feestmuts op en blaast
luidruchtig de longen leeg in talloze vuvuzela’s.
De echo van die vreugdestorm weerkaatst
tussen Lorjé, de bank, drogist en de terrassen.
Publiek dromt samen, reikt de halzen en kijkt uit:
de Bibliotheek zal naar de Neude gaan verkassen.
Daar wacht het kolossaal voormalig postkantoor een omzichtige verbouwing tot boekenkathedraal woorden als walhalla en hiernamaals zullen vallen. Het rijpe Amsterdamse School-complex bloost theatraal terwijl het hier en daar wat steen verruilt voor glas zodat er licht naar binnen valt en men naar buiten kijken kan. De hal, die hemelpoort, waarin de hele wereld samenvalt, blijft onaangetast. . . en blijkt nóg mooier dan ie was!
Zo wordt de Bibliotheek tot huis voor alle mensen,
waar aan ’n tafel onder de lamp de wereld wordt gelezen.
Zo biedt de Biblotheek een podium voor presentaties, poëzie,
protest; een plek voor het publiek debat, zomaar middenin de stad.
Zo legt de Bibliotheek een basis voor bruggen en ontmoeting
tussen stadsbewoners. Op zoek naar verbinding, elke dag.
Op 2 januari 2016 werd de gerenoveerde Utrechtse Stadsschouwburg voor het eerst in gebruik genomen bij de start van het culturele Sint Maartensjaar. Burgemeester Jan van Zanen gaf zijn traditionele nieuwjaars-toespraak waarin hij terugkeek op 2015 (Tour de France, Daphne Schippers, etc) en vooruitzag naar 2016 (100 jaar Jaarbeurs, 380 jaar Universiteit) en de verder verwijderde toekomst (Utrecht als voorbeeld van Healthy Urban Living). Alexis de Roode schreef voor de gelegenheid een nieuwjaarsgedicht.
Het jaar van Sint Maarten
Laet ons van herten danckbaer sijn met waerden loff, sinte Martijn.
Het jaar is nog gesluierd
in ochtendmist en vuurwerknevels.
In het theater schuift het doek open
en de rookmachine draait.
Toekomst doemt op
en achter ons schimmen de eeuwen weg.
We zien alleen wat heel dichtbij is.
Men maakt een stad in zijn hoofd
al snel zo klein als een Domtorentje,
zeven steegjes, Schele Miep,
een gevoel dat in een handpalm past,
gewoon, waar je woont,
en wat je eigenhandig tot stand bracht
vult volledig de gedachten:
grachten die veranderen in autowegen
die veranderen in grachten.
Maar de stad is vreemder dan dat.
Als je doordringt in de mist
kom je halfvergeten schatten tegen:
Koning Radboud die Wodan aanbad.
Rorik de Viking die de stadsmuur afbrak
en de Russische Kozakkenprins Narisjkin
die op de Neude in een tent zat
alsof de stad een steppe was.
Bovenop de toren, diep in de mist
staat dit jaar een Hongaar,
een Romeinse soldaat, die ruiter was
en zo in het rijk der Franken belandde,
waar drie eeuwen later aan een van de randen
op Romeinse resten een stad werd geplant
door een Engelse priester.
Deze stad is gemaakt door vreemden
met vreemde gewoonten en vreemde genen
die aan de horizon kwamen opdoemen
en weer in de nevel verdwenen.
De rook van het vuurwerk waarmee
de Chinezen de geesten en jaren verjagen
hangt hier in de lucht
en in de verte klinken doffe knallen
waar steden en beschaving vallen.
De vreemden komen in honderdtallen
naar onze veilige haven gevlucht.
In de mist verrijst de wereldstad
die Utrecht vanaf het begin is geweest.
Wie geschiedenis kan lezen, leest
in elke naakte steen
alle namen van diegenen
die samen Utrecht maakten.
Sint Maarten was een Romein
die nooit naar Utrecht is gekomen
maar toch hier is gebleven.
De helft van zijn mantel gaf hij weg,
de andere helft bleef van Rome.
Dit is wat hij zegt: je kunt ook delen
zonder jezelf weg te geven.
Wij zullen vanzelf wel in mist verdwijnen.
Maar de stad zal leven.
We gaan aan de hand van Sint Martijn
het nieuwe jaar in, een wit vel papier.
De wereld is wild en nieuw.
Als in het begin.
Alles is hier.
Na 40 jaar stroomt er weer water door de Catharijnesingel ter hoogte van Vredenburg en Paardenveld. Op 19 december 2015 om 19.30 werd de Singel officieel geopend. Mark Boog schreef een Stadsgedicht en droeg het bij de opening voor.
Catharijnesingel
Nog steeds beteugeld maar vrijer
dan in lange tijd, water juicht
zich de nieuwe stad door,
herinnert zich de paardentram
en de huizen die verdwenen,
huizen die kwamen.
Ach – water zegt altijd ach –
en wanneer watertrapt de eerste
onder het betonnen viaduct,
sorteert uit gewoonte voor,
rechtdoor voor de Straatweg,
wanneer komen de bootjes?
Hoog rijst op de weemoed,
kolossaal gebouw. Binnenkort
verlangen we terug naar asfalt.
Namens het Prins Bernhard Cultuurfonds Utrecht schenkt voorzitter Willibrord van Beek een beeld van Paus Adrianus VI aan de inwoners van de stad ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Cultuurfonds. Het geschenk wordt op 17 december 2015 door de voorzitter van het Prins Bernhard Cultuurfonds Utrecht, Willibrord van Beek, op Pausdam overgedragen aan burgemeester Jan van Zanen die het beeld zal onthullen. De ceremonie, die voor iedereen toegankelijk is, wordt opgeluisterd met een uitzonderlijke klokluiding van de Domklokken – waaronder de Adrianusklok – door leden van het Utrechts Klokkenluiders Gilde. Els van Stalborch zal onderstaand gedicht over Adrianus VI voordragen.
Paus Adrianus VI
Een glimlach op de Pausdam
als een zonnig plekje waar je
nooit meer kwam. Je dwaalde
tussen woorden op papier en
lag vergeten op de zolder van
ons geheugen. Nu word je
afgepoetst en opgetuigd als
beeld en komt terug in je
geboortestad na eeuwen.
In de Brandstraat werd je groot,
tussen opgewaaid verdriet,
leerde hoe te overleven en
te weten wat te weten was. Je
beklom de Olympus van je tijd.
Je naam kreeg vleugels en
streek neer op de lippen van
Maximiliaan en in het hart
van zijn kleinzoon Karel .
Toen Karel keizer en jij regent
van Spanje duisterde je ziel.
Je was alleen en vreemde.
De Santa Gunta prikte gaatjes
in je huid, je vroeg ontslag.
Je paste niet. In de weelderige
ruimte van kerken en paleizen
verlangde jij naar de sobere
kantelen van je lage land.
Toen werd je paus en jouw wit
gewassen woorden wekten
slangen onderhuids en wat je
wilde viel in slaap in een rimpel
van de tijd en werd na eeuwen
wakker. Jij overleefde niet.
Je kon niet weten dat jouw strijd
nog alle weelderige tongen splijt
en Utrecht jou niet is vergeten.
Een glimlach op de Pausdam
als een zonnig plekje waar jij
terug, witte woorden op je rug,
die nog altijd spreken.
Jouw geboortestad omhult je
als een deken. Jouw beeld
van eerlijkheid en moed is
uit de tijd gestapt, in brons
gegoten en vereeuwigd.